Wanneer burgers het gat dichten: commons tussen zorg en besparingslogica

Overal duiken ze op: burgercollectieven die natuur herstellen, kennis delen, zorg organiseren, voedsel produceren of publieke ruimte beheren. Ze ontstaan vaak vanuit dezelfde ervaring: iets wat essentieel is voor het gemeenschappelijke leven staat onder druk, en niemand lijkt het echt op te nemen. Dus doen mensen het zelf. Ze organiseren zich, delen kennis, mobiliseren vrijwilligers en bouwen stap voor stap aan een commons — een gedeelde hulpbron die ze samen beheren en beschermen.

Dat is de kracht van commons. Waar systemen vastlopen, ontstaat initiatief. Waar publieke structuren tekortschieten, bouwen mensen nieuwe vormen van samenwerking. Commons tonen dat burgers niet alleen consumenten van publieke diensten zijn, maar ook mede-dragers van het gemeenschappelijke. Ze maken zichtbaar hoeveel zorg, organisatie en creativiteit er in een samenleving aanwezig is.

Maar precies daar zit ook een ongemakkelijk spanningsveld.

Veel commonsinitiatieven bewegen zich rond domeinen die traditioneel tot de kerntaken van de overheid behoren: natuurbeheer, sociale infrastructuur, kennisdeling, cultuur, zorg voor publieke ruimte. Wanneer burgers die rollen beginnen op te nemen, kan dat op twee manieren gelezen worden. Enerzijds als een krachtige vorm van democratische zelforganisatie. Anderzijds — en dat is het ongemakkelijke deel — kan het perfect passen in een politieke logica die publieke verantwoordelijkheid wil afbouwen.

De redenering is eenvoudig: als burgers het toch zelf doen, waarom zou de overheid dan nog investeren?

Zo dreigt het engagement van commoners onbedoeld in de slipstream te belanden van een besparingspolitiek die publieke diensten stap voor stap uitholt. De zorg voor het gemeenschappelijke wordt dan verschoven van collectief gefinancierde structuren naar vrijwillige inzet. Wat begint als emancipatie kan zo eindigen als normalisering van structurele onderfinanciering.

Voor veel commoners voelt dat als een fundamenteel dilemma. Ze willen niet passief toekijken terwijl publieke goederen achteruitgaan. Hun betrokkenheid komt net voort uit zorg voor het gemeenschappelijke. Maar tegelijk willen ze niet dat hun inzet gebruikt wordt als argument om publieke verantwoordelijkheid verder af te bouwen.

Met andere woorden: ze willen het gat dichten, maar niet dat het gat daardoor permanent wordt.

Dit spanningsveld vraagt om een scherpere manier van kijken naar de relatie tussen commons en overheid. Commons zijn geen goedkope vervangers voor publieke diensten. Ze zijn ook geen hobbyprojecten aan de rand van het systeem. Ze vormen een eigen manier van organiseren rond gedeelde hulpbronnen: zelfgeorganiseerd, relationeel, lokaal verankerd en vaak experimenteel.

Maar precies daarom hebben commons een publieke context nodig die hen ondersteunt in plaats van instrumentaliseert. Niet een overheid die zich terugtrekt omdat burgers het wel oplossen, maar een overheid die erkent dat commons waarde creëren en die daarvoor ruimte, middelen en bescherming biedt. In plaats van taken af te schuiven, kan de overheid partnerschap aangaan met gemeenschappen die al verantwoordelijkheid opnemen.

Commons laten zien dat zorg voor het gemeenschappelijke niet alleen van bovenaf georganiseerd kan worden. Maar ze tonen ook dat een samenleving niet kan draaien op vrijwillige inzet alleen. Wanneer burgers zich organiseren rond biodiversiteit, zorg, kennis of publieke ruimte, doen ze dat niet omdat ze geloven dat de overheid overbodig is. Ze doen het omdat ze geloven dat het gemeenschappelijke te belangrijk is om te laten verdwijnen.

De echte vraag is dus niet of burgers zich moeten engageren. Dat doen ze al. De vraag is wat er gebeurt wanneer ze dat doen. Wordt hun engagement een excuus om publieke verantwoordelijkheid af te bouwen? Of wordt het een uitnodiging om die verantwoordelijkheid opnieuw vorm te geven — samen met de gemeenschappen die het gemeenschappelijke al dragen?

Commons beginnen vaak waar systemen falen. Maar hun ambitie is groter dan dat. Ze herinneren ons eraan dat het gemeenschappelijke niet alleen beschermd moet worden, maar ook gedeeld — in verantwoordelijkheid, in zorg en in macht. Dat is geen vervanging van het publieke, maar een kans om het te heruitvinden.

OpinieKoen Wynants
Vrijwilliger of mede-beheerder? Over arbeid, inclusiviteit en waardering in een common

Binnen de commonsbeweging duikt regelmatig een ogenschijnlijk eenvoudige vraag op: spreken we over vrijwilligers, of over iets anders? Het is geen semantische finesse. Het raakt aan hoe we arbeid begrijpen, hoe we waarde toekennen, en wie toegang heeft tot het gemeenschappelijke.

Het woord “vrijwilliger” draagt een bepaalde maatschappelijke ordening in zich. Het suggereert inzet in de vrije tijd, naast het “echte” werk. Het verwijst vaak naar hulp aan een organisatie of doelgroep, naar engagement dat ondersteunend is maar niet dragend. Het is positief geladen — genereus, betrokken — maar tegelijk gepositioneerd aan de rand van het economische en politieke centrum.

Commons vertrekken vanuit een andere logica.

Een commons is geen organisatie die ondersteund wordt door vrijwilligers. Het is een gedeelde hulpbron die alleen kan bestaan dankzij collectieve zorg. Die zorg is geen bijkomstigheid; ze is constitutief. Zonder moderatie, onderhoud, organisatie, conflictbemiddeling, kennisdeling en relationele zorg verdwijnt de commons. Wie bijdraagt, ondersteunt dus niet iets externs — die persoon onderhoudt mee een gemeenschappelijke infrastructuur.

Dat inzicht verschuift ook de manier waarop we naar arbeid kijken.

Arbeid die onzichtbaar blijft

Veel commonsarbeid lijkt op wat in feministische economie “reproductieve arbeid” wordt genoemd: zorg, onderhoud, organisatie, relationeel werk. Het is vaak onzichtbaar, moeilijk te kwantificeren en zelden marktgeprijsd. Toch is het essentieel voor het functioneren van gemeenschappen, kennisnetwerken en ecologische systemen.

Wanneer we dit louter “vrijwilligerswerk” noemen, riskeren we dat deze arbeid symbolisch gewaardeerd wordt — met dankwoorden en applaus — maar structureel onderbelicht blijft. Commonsdenken nodigt uit om deze arbeid niet alleen moreel, maar ook politiek en economisch ernstig te nemen. Niet om alles te vermarkten, maar om te erkennen dat zorg voor het gemeenschappelijke fundamenteel werk is.

Inclusiviteit: wie kan zich vrijwilligheid permitteren?

Hier wordt het spanningsveld scherp. Vrijwillige inzet veronderstelt tijd, energie en vaak financiële stabiliteit. Niet iedereen beschikt daar in gelijke mate over. Wanneer commons volledig steunen op onbetaalde inzet, ontstaat het risico dat participatie vooral toegankelijk is voor wie zich dat kan veroorloven.

Dat is geen verwijt, maar een structurele realiteit. Engagement wordt dan onbedoeld gekoppeld aan privilege. Commons die inclusiviteit ernstig nemen, kunnen deze vraag niet negeren: hoe zorgen we ervoor dat zorg voor het gemeenschappelijke geen luxe wordt?

Dat kan verschillende richtingen uitgaan:

  • vergoedingen of onkostenregelingen voor kernrollen

  • gedeelde middelen om participatie mogelijk te maken

  • rotatiesystemen die overbelasting voorkomen

  • experimenten met hybride financieringsmodellen

  • expliciete aandacht voor wie niet aan tafel zit

De vraag is niet of alles betaald moet worden, maar hoe we drempels verlagen zonder de logica van het gemeenschappelijke te ondermijnen.

Waardering voorbij symboliek

Waardering binnen een commons kan niet beperkt blijven tot bedankingen of jaarlijkse viermomenten — hoe belangrijk die ook zijn. Waardering betekent ook:

  • toegang tot besluitvorming

  • transparantie over middelen

  • gedeeld eigenaarschap

  • erkenning van expertise

  • ruimte voor groei en leren

  • bescherming tegen uitputting

In een commons is waardering nauw verbonden met macht en verantwoordelijkheid. Wie bijdraagt, moet ook invloed kunnen uitoefenen. Wie zorg draagt, moet ook beschermd worden tegen overbelasting. Wie investeert in het gemeenschappelijke, moet zich er werkelijk deel van voelen.

Zo verschuift waardering van een symbolische daad naar een structureel principe.

Van altruïsme naar wederkerigheid

Vrijwilligerswerk wordt vaak voorgesteld als altruïstisch: geven zonder iets terug te verwachten. Commons functioneren anders. Ze zijn gebaseerd op wederkerigheid. Wie bijdraagt, ontvangt ook — niet noodzakelijk geld, maar toegang, verbondenheid, kennis, betekenis, collectieve kracht.

Deze wederkerigheid is geen verborgen transactie, maar een gedeeld besef dat het gemeenschappelijke ons allemaal draagt. Engagement is dan geen offer, maar participatie in een levende infrastructuur van zorg.

Commons lab als experimenteerruimte

Als Commons lab proberen we deze spanningen niet te vermijden, maar te onderzoeken. Hoe organiseren we engagement op een manier die:

  • intrinsieke motivatie respecteert,

  • economische realiteit erkent,

  • inclusiviteit bevordert,

  • zorgarbeid zichtbaar maakt,

  • en de commons versterkt?

Hoe bouwen we waarderingspraktijken die niet vervallen in marktdenken, maar ook niet blind zijn voor ongelijkheid? Hoe zorgen we ervoor dat “vrijwillig” niet betekent “minder belangrijk”?

Misschien gaat het uiteindelijk niet om het vervangen van het woord vrijwilliger, maar om het verdiepen van onze praktijk. Wanneer we engagement zien als gedeeld eigenaarschap, wordt duidelijk dat commons niet bestaan dankzij vrijblijvende hulp. Ze bestaan dankzij mensen die samen verantwoordelijkheid opnemen voor wat hen verbindt.

En precies daar ligt de uitdaging: een cultuur bouwen waarin zorg voor het gemeenschappelijke niet afhankelijk is van toeval of privilege, maar gedragen wordt als een gedeelde, erkende en gewaardeerde vorm van arbeid.

Antwerpen-Noord heeft geen strengere hand nodig, maar sterkere handen samen

Wie de beelden en getuigenissen uit Antwerpen-Noord ziet – openlijk drugsgebruik, wanhopige horeca-uitbaters, bewoners die zich in de steek gelaten voelen – merkt vooral dit: het vertrouwen is op. Het De Coninckplein is al jaren het decor van een hardnekkige problematiek. Politieacties volgen elkaar op. Camera’s worden geplaatst. Tijdelijke sluitingen worden opgelegd. En toch keert de overlast telkens terug.

Dat is geen teken van onwil bij stad of district. Het is een teken dat het probleem groter is dan wat klassieke bestuurlijke instrumenten kunnen vatten.

Repressie beheert symptomen, maar bouwt geen gemeenschap

Drugsproblematiek in Antwerpen-Noord is geen louter veiligheidsprobleem. Het is een sociaal vraagstuk dat wortelt in armoede, precair verblijf, dakloosheid, mentale kwetsbaarheid en een publieke ruimte die steeds minder van haar bewoners lijkt te zijn. Repressie kan tijdelijk orde scheppen, maar ze bouwt geen relaties op, geen vertrouwen, geen perspectief.

Wie vandaag op het plein staat, ziet geen “probleemgroepen”, maar mensen die nergens anders terecht kunnen. Dat vraagt meer dan handhaving. Het vraagt sociale infrastructuur. En precies daar knelt het schoentje.

Wat er wél al groeit in 2060

Het wrange is: Antwerpen-Noord is geen wijk zonder kracht. Integendeel.

2060 United brengt bewoners, middenveld en organisaties samen rond een gezamenlijke visie op leefbaarheid. Amandus 2060 herdenkt een voormalige kerksite als ontmoetingsplek voor de buurt. In De Verborgen Kloostertuin krijgt gedeeld beheer van ruimte en voedselproductie concreet vorm. ’t Vlot biedt een laagdrempelige huiskamer voor mensen in extreme kwetsbaarheid. Het Antwerps Straatsyndicaat geeft straatbewoners een stem in het publieke debat.

Dat zijn geen randinitiatieven. Dat zijn kiemen van een ander model: een commons-benadering, waarin bewoners niet louter “doelgroep” zijn van beleid, maar mede-eigenaar van oplossingen.

Commons: van beheersen naar beheren

Commons-denken vertrekt van een eenvoudige maar radicale gedachte: publieke ruimte en collectief welzijn zijn geen producten van bovenaf, maar worden samen gemaakt en beheerd.

Dat betekent niet dat de overheid zich terugtrekt. Integendeel. Het betekent dat ze haar rol herdenkt: van controleur naar facilitator, van beslisser naar partner.

In plaats van telkens nieuwe veiligheidsplannen te lanceren, zou de stad systematisch kunnen investeren in buurtgedragen beheer van pleinen, in coöperatieve uitbating van sociale infrastructuur, in gedeelde besluitvorming over publieke ruimte. Niet als participatieshowcase, maar als echte machtsoverdracht op wijkniveau.

De filosofie van Eigen Kracht

Hier sluit de filosofie van Eigen Kracht-conferenties naadloos bij aan. Die methode vertrekt vanuit het idee dat mensen, families en netwerken zélf plannen kunnen maken om problemen aan te pakken, wanneer ze de ruimte, informatie en ondersteuning krijgen om dat te doen. Professionals blijven beschikbaar, maar nemen het proces niet over.

Toegepast op wijkniveau betekent dit: breng bewoners, horeca, straathoekwerkers, politie, hulpverlening en ook gebruikers van de publieke ruimte samen in een zorgvuldig gefaciliteerd proces. Laat hen zelf een plan maken voor het plein. Niet een advies dat in een lade verdwijnt, maar een bindend engagement, ondersteund door middelen.

Eigen kracht is geen romantisch begrip. Het is een praktische methode die verantwoordelijkheid teruglegt waar ze hoort: bij de gemeenschap zelf, mét structurele ondersteuning.

Veiligheid door verbondenheid

Echte veiligheid ontstaat niet uit permanente controle, maar uit verbondenheid. Een plein waar mensen elkaar kennen, waar kwetsbaren niet worden weggeduwd maar begeleid, waar ondernemers zich gesteund voelen door hun buurt, is een plein waar overlast minder kans krijgt om zich vast te zetten.

Dat vraagt tijd. Het vraagt vertrouwen. En het vraagt politieke moed om te erkennen dat sommige problemen niet opgelost worden door harder op te treden, maar door dieper te investeren.

Van incident naar transitie

Antwerpen-Noord staat symbool voor een bredere stedelijke uitdaging. Blijven we incidenten managen met telkens dezelfde instrumenten? Of durven we kiezen voor een structurele transitie naar commons-based stadsontwikkeling?

De kiemen zijn er al. In 2060 wordt elke dag gewerkt aan solidariteit, ontmoeting en gedeeld beheer. Wat ontbreekt, is niet initiatief van onderuit. Wat ontbreekt, is een stadsbestuur dat die initiatieven centraal zet in plaats van ze als aanvulling te beschouwen.

Misschien moeten we stoppen met vragen waarom het plein niet “onder controle” geraakt. En beginnen met de vraag wie het plein eigenlijk draagt.

Antwerpen-Noord heeft geen strengere hand nodig. Het heeft sterkere handen nodig — samen.

Koen Wynants

Meer dan een bedankje. Over waardering, engagement en commons #weekvandevrijwilliger

De Week van de Vrijwilliger is elk jaar opnieuw een warm moment. We zetten mensen in de bloemen, spreken onze dank uit en maken zichtbaar hoeveel engagement er leeft. Dat is waardevol. Rituelen van erkenning doen ertoe. Ze versterken verbondenheid en laten zien dat inzet gezien wordt.

En toch nodigt zo’n week ook uit tot een bredere reflectie.

Vrijwilligers dragen vandaag een groot deel van onze sociale en ecologische infrastructuur. Ze ondersteunen buurten, verenigingen, kennisplatformen, natuurgebieden en zorginitiatieven. Vaak gaat het om werk dat niet onmiddellijk zichtbaar is: organiseren, luisteren, modereren, herstellen, verbinden. Zonder deze inzet zouden veel initiatieven eenvoudigweg niet bestaan.

De vraag is dan niet of we voldoende dankbaar zijn. De vraag is hoe we die dankbaarheid vertalen in duurzame structuren.

Binnen een commons-perspectief kijken we anders naar engagement. We zien vrijwilligers niet alleen als helpende handen, maar als mede-beheerders van iets wat van ons allemaal is. Ze dragen zorg voor gedeelde hulpbronnen — kennis, gemeenschap, biodiversiteit, publieke ruimte. Hun bijdrage is geen randactiviteit, maar een essentieel onderdeel van het voortbestaan van die commons.

Dat vraagt om waardering die verder gaat dan symboliek. Een attentie of een feestmoment is een mooi begin, maar duurzame waardering betekent ook:

  • betrokkenheid bij besluitvorming

  • transparantie over middelen en keuzes

  • ondersteuning en vorming

  • aandacht voor werkdruk en grenzen

  • ruimte om mee richting te geven

Daarnaast mogen we ook de vraag naar inclusiviteit niet uit de weg gaan. Vrijwillige inzet veronderstelt tijd en ruimte. Niet iedereen beschikt daar in gelijke mate over. Als we commons werkelijk open en gedeeld willen houden, moeten we nadenken over hoe engagement toegankelijk kan blijven voor een diverse groep mensen. Dat kan gaan over praktische ondersteuning, onkostenvergoedingen, flexibele rollen of nieuwe vormen van samenwerking.

Een Week van de Vrijwilliger kan dan meer zijn dan een moment van vieren. Het kan ook een moment van gezamenlijk leren zijn. Wat hebben vrijwilligers nodig om duurzaam betrokken te blijven? Hoe maken we onzichtbare arbeid zichtbaar? Hoe zorgen we ervoor dat zorg voor het gemeenschappelijke niet vanzelfsprekend wordt, maar erkend en gedragen?

Waardering is uiteindelijk geen gebeurtenis, maar een cultuur. Een cultuur waarin engagement niet als extra wordt gezien, maar als fundament. Waar mensen die bijdragen zich niet alleen bedankt voelen, maar ook gehoord, ondersteund en mede-eigenaar van het geheel.

Misschien ligt daar de uitnodiging: om van een week van waardering een jaarpraktijk van zorg te maken. Voor de commons, en voor de mensen die ze mogelijk maken.

OpinieKoen Wynants
Oproep: Bouw mee aan de cultuurplek van morgen

Overal in Vlaanderen wordt nagedacht over cultuurplekken: waar ontmoeten mensen elkaar, waar ontstaat cultuur, waar groeit verbinding? OP/TIL nodigt organisaties, lokale besturen en cultuurhuizen uit om samen te werken aan antwoorden op die vragen — in de werkplaatsen “Cultuurplekken van morgen”.

In 2026 organiseert OP/TIL drie werkdagen rond thema’s waar veel cultuurplekken vandaag mee bezig zijn:

  • Participatie – hoe betrek je je gemeenschap écht?

  • Gedeeld ruimtegebruik – hoe deel je ruimte duurzaam met anderen?

  • Toekomstvisie – welke infrastructuur is relevant voor morgen?

Dit zijn geen klassieke infosessies, maar actieve werkplaatsen waar je leert van collega’s, inzicht krijgt in goede praktijken en mee bouwt aan kennis voor het hele veld. Je neemt niet alleen ideeën mee naar huis — je helpt tegelijk mee om cultuurplekken toekomstgerichter, inclusiever en betekenisvoller te maken.

👉 Wil jij met je cultuurplek, organisatie of bestuur meedenken én mee vormgeven?
👉 Wil je samen met Commons Lab reflecteren, experimenteren en vooruitkijken?

Sluit aan bij de werkplaatsen en denk mee aan de cultuurplek van morgen. Samen creëren we plekken die verbinden, uitdagen en leven

Meer info, zie Oproep — Werkplaatsen Cultuurplekken van morgen | OP/TIL

Koen Wynants
Van commons naar sociale zekerheid: solidariteit als maatschappelijke infrastructuur

De recente beslissing van de federale regering om de industrie bijna een miljard euro aan lastenverlagingen toe te kennen, past in een vertrouwde beleidslogica: economische competitiviteit wordt gezien als voorwaarde voor welvaart, sociale bescherming als kost die beheerst of afgeremd moet worden. In dat discours verschijnt sociale zekerheid vooral als een budgettaire post, een herverdelingsmechanisme dat door de staat wordt georganiseerd en waar voortdurend aan “gesleuteld” kan worden. Wat in deze benadering vaak ontbreekt, is historisch geheugen. De Belgische sociale zekerheid is immers niet ontstaan als een technocratisch staatsproject, maar als een common: een door burgers zelf opgebouwde, collectief beheerde infrastructuur van solidariteit. Die oorsprong is cruciaal om hedendaagse keuzes te begrijpen én te bevragen.

Sociale nood en zelforganisatie in de 19de eeuw

In de tweede helft van de 19de eeuw veranderde de Belgische samenleving ingrijpend. De vroege industrialisering bracht economische groei, maar ook structurele onzekerheid: ongevallen in fabrieken, ziekte zonder inkomensbescherming, periodieke werkloosheid en armoede op oudere leeftijd. Voor arbeiders en hun gezinnen betekende dit een permanente blootstelling aan risico’s waarvoor noch de markt, noch de staat oplossingen bood. De liberale staat hield zich afzijdig, sociale bescherming werd beschouwd als een privézaak.

Precies in dat vacuüm ontstond een rijk landschap van zelforganisatie. Arbeiders richtten onderlinge bijstandskassen op die uitkeringen voorzagen bij ziekte of overlijden. Mutualiteiten groeiden uit lokale verenigingen waarin leden samen bijdroegen aan een gemeenschappelijke kas. Vakbonden organiseerden werkloosheidskassen. Coöperaties boden betaalbare goederen, toegang tot krediet en soms zelfs huisvesting. Volksbanken en spaarbanken maakten het mogelijk om collectief kapitaal op te bouwen buiten de commerciële financiële sector.

Vanuit een commons-perspectief waren dit geen liefdadigheidsinitiatieven, maar vormen van gedeeld eigenaarschap en collectief bestuur. De middelen waren gemeenschappelijk, de regels werden samen vastgelegd en de baten kwamen uitsluitend de gemeenschap van deelnemers ten goede. Solidariteit was hier geen abstract moreel principe, maar een concrete sociale technologie: een manier om risico’s te delen en bestaanszekerheid te organiseren buiten zowel markt als staat.

Van commons naar erkenning: de staat als mede-actor

Deze bottom-up structuren bleken veerkrachtig, maar ook kwetsbaar. Ze waren afhankelijk van vrijwillige bijdragen en hadden beperkte schaal. Sociale conflicten, zoals de arbeidersopstanden van 1886, maakten duidelijk dat sociale bescherming niet langer een randfenomeen was, maar een maatschappelijke noodzaak. Vanaf het einde van de 19de eeuw begon de staat daarom aarzelend in te grijpen.

Cruciaal is dat de overheid niet vertrok van een leeg blad. Ze bouwde voort op bestaande commons-structuren. Mutualiteiten kregen subsidies en wettelijke erkenning. Arbeidsongevallenverzekeringen werden verplicht, maar uitgevoerd via instellingen die voortkwamen uit onderlinge verzekering. De sociale zekerheid die zich in de eerste helft van de 20ste eeuw ontwikkelde, was dus geen vervanging van de commons, maar een schaalvergroting ervan: solidariteit werd verplicht, breder en stabieler gemaakt, terwijl het beheer deels in handen bleef van sociale organisaties.

Het Sociaal Pact van 1944 markeert dit kantelpunt. Na de Tweede Wereldoorlog werd sociale zekerheid verankerd als collectieve infrastructuur voor de hele samenleving. Werkgevers, werknemers en staat droegen samen verantwoordelijkheid. Vanuit commons-logica kan dit worden gelezen als een institutionalisering van wat al decennia bestond: het idee dat sociale risico’s geen individuele mislukkingen zijn, maar gedeelde maatschappelijke vraagstukken.

Vergeten oorsprong, verschoven logica

In de decennia daarna verschoof het dominante narratief. Sociale zekerheid werd steeds meer voorgesteld als een overheidsuitgave die economische groei moet volgen, in plaats van als een voorwaarde ervoor. De historische band met zelforganisatie, collectief beheer en gedeelde verantwoordelijkheid vervaagde. Waar mutualiteiten en vakbonden ooit belichaamden dat sociale bescherming iets was wat mensen samen opbouwden, wordt ze vandaag vaak herleid tot een herverdelingsmechanisme dat “betaalbaar” moet blijven.

De steun van de Overheid aan de industrie illustreert die verschuiving scherp. Grote publieke middelen worden ingezet om economische actoren te ondersteunen, in de hoop op concurrentiekracht en tewerkstelling. Tegelijk worden sociale uitgaven onderworpen aan strenge voorwaarden, beperkingen in tijd of activeringslogica’s. Impliciet wordt solidariteit hier opnieuw geprivatiseerd: risico’s worden meer bij het individu gelegd, terwijl collectieve buffers worden uitgehold.

Vanuit een commons-insteek roept dit fundamentele vragen op. Als sociale zekerheid historisch is ontstaan als gemeenschappelijk antwoord op marktfalen, waarom zou ze vandaag ondergeschikt zijn aan marktlogica? Waarom worden collectieve middelen sneller ingezet om private winst te ondersteunen dan om gemeenschappelijke bestaanszekerheid te garanderen?

Sociale zekerheid herdenken als commons

De geschiedenis van de Belgische sociale zekerheid nodigt uit tot een andere benadering. Niet als een statisch systeem dat enkel moet worden “hervormd”, maar als een levende common die voortdurend onderhoud, participatie en legitimiteit vereist. Dat betekent sociale zekerheid niet enkel verdedigen tegen afbraak, maar haar oorspronkelijke logica opnieuw zichtbaar maken: solidariteit als gedeelde infrastructuur, gedragen door burgers, sociale organisaties en overheid samen.

In die zin is het debat over sociale zekerheid geen louter budgettaire discussie, maar een politieke keuze over welk soort samenleving we willen zijn. Een samenleving die risico’s individualiseert en solidariteit conditioneert, of een samenleving die – in de traditie van haar eigen geschiedenis – blijft investeren in gemeenschappelijke bescherming tegen onzekerheid.

ConclusiE

De Belgische sociale zekerheid is niet geboren uit welwillend staatsbeleid, maar uit de collectieve creativiteit van mensen die hun lot in eigen handen namen. Mutualiteiten, coöperaties en onderlinge kassen vormden de sociale commons waarop later het nationale systeem werd gebouwd. Die oorsprong herinnert ons eraan dat solidariteit geen last is, maar een productieve kracht: een infrastructuur die economische en sociale stabiliteit mogelijk maakt.

In een tijd waarin publieke middelen opnieuw selectief worden ingezet en solidariteit onder druk staat, is het essentieel om dit historische perspectief te herwaarderen. Niet uit nostalgie, maar om sociale zekerheid opnieuw te begrijpen als wat ze altijd is geweest: een gemeenschappelijk antwoord op gedeelde kwetsbaarheid.

Koen Wynants
Essay 'Commons als oefenplaatsen van 'démocratie à venir' - We experimenteren samen een toekomst'

De huidige crisis van de democratie wordt vaak beschreven als een rechts probleem: populisme, autoritarisme, nostalgie naar een vermeend ordelijk verleden. Maar die diagnose is onvolledig. Ze miskent dat ook vanuit progressieve en linkse hoek de democratische horizon lange tijd werd vernauwd. Vanuit het gedachtengoed van de commons – zoals dat in Commons lab, burgercollectieven en coöperatieve praktijken wordt ontwikkeld – wordt die dubbele verantwoordelijkheid zichtbaar.

Als Jacques Derrida vandaag naar onze representatieve democratie zou kijken, zou hij spreken over een terugplooiende democratie: een systeem dat formeel intact blijft, maar zijn eigen belofte uitholt. Democratie wordt herleid tot begrotingsorthodoxie, efficiënt beheer en technocratische besluitvorming. Politiek wordt administratie. De toekomst wordt een spreadsheet.

Voor Derrida is democratie echter nooit af. Ze is geen stabiel regime dat men eenmaal installeert en vervolgens beheert. Democratie is altijd een belofte, iets wat nog moet komen – démocratie à venir. Hij maakt daarbij een cruciaal onderscheid tussen de toekomst als iets planbaars en voorspelbaars, en het à-venir: het onvoorziene, het nieuwe, dat bestaande instituties kan openbreken. Wanneer samenlevingen hun toekomst volledig programmeren, sluiten ze precies datgene af wat democratie levend houdt.

Derrida was zich niet bewust van de commons zoals we die vandaag kennen. Het concept van gedeelde middelen en collectieve experimenten in burgercollectieven en coöperaties werd pas later prominent. Toch is er een duidelijke resonantie: zijn démocratie à venir benadrukt openheid, inclusie van wie nog niet gehoord wordt en voortdurende heruitvinding van collectieve structuren – waarden die ook aan de basis liggen van commons-praktijken.

Die sluiting is niet alleen het werk van rechts. Ook links heeft hier een historische verantwoordelijkheid. In naam van bestuurbaarheid, haalbaarheid en expertise heeft het progressieve kamp zich vaak verzoend met het neoliberale kader. Democratische keuzes werden voorgesteld als technische noodzaak. Alternatieven als onrealistisch. Conflict als gevaarlijk. Zo werd de democratie niet aangevallen, maar langzaam leeggezogen.

Derrida benoemt dit proces als de auto-immuniteit van democratie: het vermogen van een democratisch systeem om zichzelf, uit naam van vrijheid en rationaliteit, van binnenuit te ondermijnen. Dat gebeurt wanneer verkozen leiders de rechtsstaat afbreken, maar evengoed wanneer democratie zichzelf reduceert tot beheer van schaarste en het idee cultiveert dat ‘dit het beste van alle mogelijke werelden is’. In beide gevallen sluit de toekomst.

De hedendaagse roep om ‘terug naar vroeger’ – naar de natiestaat, duidelijke hiërarchieën en een sobere welvaartsstaat – is dan ook geen breuk met dat denken, maar een radicalisering ervan. Waar technocratisch links de toekomst depolitiseerde, politiseert rechts haar opnieuw, maar op basis van uitsluiting, identiteit en nostalgie. Beide weigeren de onzekerheid en openheid die democratie veronderstelt.

Hier biedt het commons-denken een ander vertrekpunt. In plaats van democratie te zien als een afgewerkt institutioneel model, benadert het commons-perspectief democratie als een voortdurende praktijk van samen beheren, samen beslissen en samen verantwoordelijkheid dragen. Commons zijn geen utopie naast de staat of de markt, maar concrete oefenplaatsen van démocratie à venir.

In commons-praktijken staat niet de vraag centraal hoe schaarste zo efficiënt mogelijk wordt verdeeld, maar hoe gedeelde middelen – grond, zorg, kennis, energie, ruimte – collectief kunnen worden onderhouden en heruitgevonden. Dat veronderstelt conflict, onderhandeling en onzekerheid. Maar precies daarin schuilt hun democratische kracht.

Vanuit dit perspectief wordt duidelijk wat er ontbreekt in het dominante democratische discours: een erkenning dat democratie niet draait om consensus of stabiliteit, maar om openheid voor nieuwe stemmen en nieuwe vormen van samenleven. Commons-initiatieven sluiten per definitie niemand vooraf uit: ze zijn gericht op inclusie, op toekomstige gebruikers, op wie nog niet aan tafel zit.

Waar representatieve democratie steeds vaker functioneert als beheer van tekorten en disciplinering van burgerlijke ruimte, openen commons praktijken van overvloed: overvloed aan betrokkenheid, aan verbeelding, aan collectieve capaciteit. Ze tonen dat democratie niet hoeft te worden ‘gered’ door haar af te sluiten, maar net door haar opnieuw kwetsbaar te maken.

Dat betekent concreet: breken met het idee dat democratie vooral moet worden gestabiliseerd, beschermd of beheerd. Vanuit het Commons-lab-gedachtengoed vertrekt democratie niet van een blauwdruk, maar van een houding: we experimenteren samen een toekomst. Niet weten waar we exact uitkomen, maar wel samen verantwoordelijkheid opnemen voor het proces.

Het commons-perspectief wijst hier geen eenvoudige uitweg, maar een richting. Het herinnert ons eraan dat democratie ontstaat waar mensen samen verantwoordelijkheid opnemen voor wat hen verbindt, zonder garantie op succes, zonder vooraf vastgelegde uitkomst. Dat is geen nostalgie, maar een sprong vooruit.

Zoals het motto van Commons Lab zegt: we experimenteren samen een toekomst. Dit essay is een uitnodiging om die houding te omarmen: niet terug naar vroeger, niet vastnagelen aan wat er is, maar de toekomst opnieuw openhouden – samen.

Koen Wynants
Oproep: Bouw mee aan het dorp van morgen – samen met Commons Lab!

@Rurant

In heel Vlaanderen bruist iets. Lokale plekken waar mensen elkaar ontmoeten, plannen smeden, elkaar helpen en het dorpsleven mee vormgeven. Dorpshuizen – soms klein en bescheiden, soms groots en ambitieus – zijn het warme hart van dat lokale weefsel.

Maar hoe zorg je ervoor dat die plekken niet alleen vandaag betekenisvol zijn, maar ook morgen? Hoe maak je van een dorpshuis een échte commons: gedragen door de gemeenschap, duurzaam ingebed in de lokale context en open voor iedereen?

Daar willen wij, samen met jou, werk van maken.

KBS & VLM bieden een unieke kans

De Koning Boudewijnstichting, in samenwerking met de Vlaamse Landmaatschappij, lanceert een nieuwe oproep om dorpshuizen financieel te versterken. Het doel? Het ondersteunen van initiatieven die inzetten op:

  • duurzame, inclusieve en multifunctionele ontmoetingsplekken

  • versterking van sociale cohesie

  • samenwerking tussen diverse lokale actoren

  • vernieuwende antwoorden op maatschappelijke uitdagingen

  • het dorp van morgen bouwen vanuit de eigenheid van vandaag

Er is in totaal €304.000 voorzien. Per dossier kan maximaal €10.000 worden aangevraagd.
👉 Alle details vind je in het document “selectiecriteria” op de website van KBS: Versterking van de werking van dorpshuizen in Vlaanderen | Koning Boudewijnstichting

Voor wie?

Deze oproep richt zich tot dorpshuizen in alle dorpskernen buiten de centrumsteden.
En precies daar willen we als Commons Lab mee instappen: we willen samen met landelijke collectieven experimenten opzetten rond dorpshuizen als commons.

We zoeken dorpen en dorpshuizen die:

  • dromen van een plek die werkelijk van en voor de gemeenschap is

  • klaar zijn om toekomstgericht te experimenteren

  • willen bouwen aan een duurzaam model van gedeeld beheer

  • geloven in samenwerking en collectieve kracht

  • niet bang zijn om nieuwe paden te verkennen

Klinkt dat als jouw dorp? Dan moeten we elkaar spreken.

Schrijf samen met ons een dossier

Commons Lab wil samen met een aantal dorpen een dossier indienen voor deze oproep. We brengen:

  • expertise rond common governance

  • begeleiding bij toekomstverkenning en cocreatie

  • ondersteuning bij het uitwerken van een sterk dossier

  • inspiratie uit andere dorpen en commonsprojecten

  • een netwerk van partners die mee kunnen denken en bouwen

We zoeken oprechte goesting, lokale verankering en bereidheid om samen te leren.

Doe mee – laat van je horen!

Is jouw dorpshuis klaar voor een sprong vooruit?
Wil je samen met ons onderzoeken hoe een dorpshuis een échte commons kan worden?
Zie je kansen in jouw dorp om een duurzame, inclusieve en toekomstgerichte ontmoetingsplek uit te bouwen?

👉 Neem contact op met Commons Lab.
👉 Stuur ons een korte beschrijving van je dorpshuis, je dorp en je droom.

Laat ons samen bouwen aan een netwerk van verbonden dorpen – plekken waar de gemeenschap niet alleen samenkomt, maar samen toekomst maakt.

Het dorp van morgen begint vandaag. En misschien bij jullie.

Koen Wynants
Is Gent nog de commonsstad die het wil zijn? Wil Gent nog commonsstad zijn?

Bron: Te Duur

Gent heeft internationaal het imago van een ‘commonsstad’: een plek waar publieke ruimte, vastgoed en dienstverlening worden beheerd als gedeelde rijkdom, gedragen door burgers én overheid samen. De grote vastgoedoperatie die vandaag loopt, plaatst die ambitie echter in een scherp daglicht. Willen het Gents stadsbestuur en de Gentse commoners Gent werkelijk als commonsstad uitbouwen? En zo ja: wie geeft vorm aan die ambitie — het stadsbestuur, de burgercollectieven, of beiden?

Als Commons Lab volgen wij het debat met veel sympathie en nieuwsgierigheid. We erkennen de inzet van het stadsbestuur: gebouwen dragen verhalen, herinneringen en gemeenschappen. Schepenen benadrukken dat er middelen worden geïnvesteerd, dat patrimonium aandacht vraagt en dat keuzes moeilijk zijn. Dat is belangrijk om te horen en te erkennen.

Tegelijk leven er vragen bij veel Gentenaars. Financiële realiteit lijkt de boventoon te voeren, terwijl maatschappelijke en historische waarde soms naar de achtergrond verschuift. Historici zoals Jan Dumolyn en Jelle Haemers wijzen terecht op het unieke erfgoed van de stad: Toreken, Caermersklooster, Drongenhofkapel, Rabot en vele andere gebouwen dragen eeuwen aan stadsgeschiedenis en gemeenschapsvorming. Deze panden zijn geen vastgoedobjecten, maar publieke erfgoedplekken die betekenis geven aan Gent als stad en haar inwoners. Het is essentieel dat hun maatschappelijke en culturele waarde in beslissingen wordt meegenomen.

De vastgoedcascade, ingevoerd na de volksraadpleging van 2023, biedt op papier een sterk principe: eerst onderzoeken welke publieke of maatschappelijke invulling mogelijk is, pas daarna erfpacht of verkoop. De stad benadrukt dat sommige panden worden ingezet voor betaalbaar wonen, dat erfgoed in erfpacht blijft en dat clustering kansen biedt. Schepenen geven expliciet aan dat de zorg voor erfgoed centraal staat, met investeringen van honderden miljoenen euro.

Maar een commonsstad vraagt méér dan correcte procedures. Ze vraagt dat de cascade inhoudelijk wordt ingevuld: dat alternatieven voor sociaal, cultureel en collectief gebruik écht onderzocht worden, ook wanneer de financiële ruimte beperkt is. Dat er aandacht is voor de sociale continuïteit van buurtcentra, open huizen, culturele verenigingen en seniorenvoorzieningen. Dat publieke gebouwen niet louter financieel worden afgewogen, maar ook historisch, sociaal en cultureel gewicht hebben.

De kernvraag blijft: wil Gent écht een commonsstad worden — en zo ja, hoe doen we dat samen?

Een commonsstad vereist participatie, transparantie en gedeeld eigenaarschap. Het betekent dat stadsdiensten, bewoners en maatschappelijke organisaties samen nadenken over de invulling van gebouwen en publieke ruimte. Het betekent ook dat historisch erfgoed nooit zomaar wordt geprivatiseerd, maar toegankelijk blijft voor alle Gentenaars, zoals Dumolyn en Haemers benadrukken: erfgoed is van ons allemaal en hoort in publieke handen.

De toekomst van Gent als commonsstad ligt open. Ze hangt af van de keuzes die we vandaag durven maken: keuzes die het sociale, culturele en historische weefsel van de stad versterken, niet verarmen. Als Commons Lab zijn wij heel erg geïnteresseerd om dit gesprek mee vorm te geven en de mogelijkheden van gedeeld beheer te verkennen. Niet als tegenpartij, maar als partner in experiment, leren en bouwen.

Koen Wynants

Koen Wynants
België heeft geen nieuwe staatshervorming nodig. België heeft een commons-revolutie nodig

De roep om een nieuwe staatshervorming klinkt luider dan ooit. Commentatoren spreken over bevoegdheden, transfers en begrotingsdiscipline, alsof het herschikken van institutionele dozen voldoende is om de Belgische samenleving te herstellen. Dat is een illusie. België worstelt niet met structuren, maar met vertrouwen, betrokkenheid en solidariteit. Een nieuwe bevoegdheidsverdeling zal die problemen niet oplossen. Wat we nodig hebben, is een radicale heruitvinding van hoe burgers, overheid en samenleving samenwerken.

De klassieke staat werkt top-down, traag en vaak ver weg van de realiteit van mensen. De markt draait op winst en efficiëntie, niet op publieke waarde. Beide modellen laten sociale cohesie en burgerparticipatie tekortschieten. Er is een derde weg: de commons. Commons zijn geen idealistische hobbyprojecten of buurtinitiatieven. Het zijn instituties waarin burgers collectieve voorzieningen beheren — energie, zorg, wonen, mobiliteit, data — samen met overheid en markt. Ze brengen democratische betrokkenheid, collectief eigenaarschap en veerkracht terug in de samenleving, precies waar de klassieke staat en de markt falen.

Een nieuwe staatshervorming die enkel bevoegdheden herschikt, zal deze uitdagingen niet oplossen. Maar een hervorming die commons structureel erkent en ondersteunt, kan wél een diepere democratie tot stand brengen. Burgers worden dan niet langer passieve gebruikers, maar mede-eigenaren van het publieke domein. Dat versterkt vertrouwen, vergroot legitimiteit en maakt de overheid relevanter en veerkrachtiger.

De echte uitdaging is durven delen: durven erkennen dat macht en verantwoordelijkheid niet alleen top-down kunnen bestaan, maar ook horizontaal en collectief. België heeft geen zesde of zevende staatshervorming nodig. België heeft een commons-revolutie nodig, een herontdekking van hoe we samen publieke waarde creëren en democratie echt laten leven.

Democratie is geen structuur. Democratie is een praktijk. Het is tijd dat België die opnieuw leert beoefenen.

Koen Wynants

Koen Wynants
Langdurig zieken verdienen een zorgzame samenleving

Langdurig zieken verschijnen de laatste jaren vooral in het nieuws wanneer het gaat over controles, strengere opvolging of activeringsprogramma’s. De maatschappelijke reflex is telkens dezelfde: hoe krijgen we mensen sneller opnieuw inzetbaar? Het debat blijft hangen in die enge vraag, alsof de waarde van een mens uitsluitend afhangt van arbeidsprestaties. Daarmee missen we niet alleen wat langdurige ziekte betekent, maar ook welke samenleving we willen zijn.

Wie langdurig ziek wordt, verliest vaak meer dan gezondheid. Er gaat een wereld van zekerheid, ritme en betrokkenheid verloren. Mensen verliezen niet alleen hun inkomen of hun werkplek, maar ook hun sociale rol, de vanzelfsprekende aanwezigheid in een gemeenschap en soms zelfs hun gevoel van eigenwaarde. Het systeem rond hen lijkt vooral ontworpen om te controleren en te corrigeren, niet om te ondersteunen. Alsof je pas opnieuw welkom bent zodra je bewijst dat je weer “normaal” functioneert.

Het wrange is dat langdurige ziekte geen uitzondering is. Kwetsbaarheid is geen probleem van “anderen”, maar onderdeel van het leven zelf. Juist daarom is het zo’n gemiste kans dat we blijven vertrouwen op mechanismen die vertrekken van productiviteit en verdachtmaking, in plaats van te kijken hoe we elkaar als gemeenschap kunnen dragen.

Vanuit commons-denken ontstaat gelukkig een ander verhaal. Daar vertrekken mensen van wat ze samen kunnen maken, en niet van wat ze individueel moeten bewijzen. In commons-initiatieven zien we hoe gedeelde ruimtes, gezamenlijke projecten en collectief beheer van zorg en tijd nieuwe vormen van participatie mogelijk maken. Ze laten zien dat er wél manieren bestaan waarop langdurig zieken opnieuw aansluiting vinden zonder dat hun lichaam of geest onder druk gezet wordt.

In zorgzame tuinen werken mensen mee wanneer het gaat, met taken die meebewegen met hun gezondheid. Er is geen verplichting, geen prestatieverwachting en geen angst om “te weinig” te doen. Het gaat om aanwezigheid, om ritme, om contact. In coöperatieve buurtplekken vinden langdurig zieken soms opnieuw een rol, niet in de vorm van een klassieke job, maar als deel van een gemeenschap die samen organiseert, ontvangt, kookt of zorgt. Er zijn plekken waar ervaringskennis centraal staat, waar mensen met een langdurige aandoening niet worden gezien als last, maar als mede-experts die precies weten wat het betekent om een leven te hertekenen rond chronische kwetsbaarheid. En er zijn gemeenschappelijke woon- of zorgprojecten waar mensen elkaar ondersteunen zonder dat elke vorm van nabijheid vertaald moet worden in een dienstverlening of een zorgcontract.

Wat deze initiatieven verbindt, is dat ze vertrekken van vertrouwen. Ze laten zien dat participatie meer betekent dan werken en dat waarde veel breder is dan economische output. Ze herstellen wat langdurig zieken zo vaak verliezen: de mogelijkheid om mee te doen, op hun manier en in hun tempo. Het is precies dat wat in het dominante beleid ontbreekt. Overheidslogica wordt nog te vaak gestuurd door wantrouwen: de vrees dat iemand misbruik maakt, dat iemand te lang ziek blijft, dat iemand onvoldoende “inspanning” levert. Die logica zorgt ervoor dat mensen zich terugtrekken, zich schamen of zichzelf te veel pushen, met alle gevolgen van dien.

Als we echt willen dat langdurig zieken opnieuw een plek krijgen, moeten we het vertrouwen in hen herstellen. Niet door te controleren of ze genoeg bijdragen, maar door te erkennen dat bijdragen vele vormen kan aannemen. De overheid hoeft commons-initiatieven niet te sturen, maar wel te faciliteren: door ruimte te geven, financiële zuurstof te bieden en regelgeving aan te passen zodat mensen kunnen participeren zonder vrees voor sancties.

Dat geldt ook voor hoe we over waarde spreken. Een samenleving die alleen denkt in termen van productiviteit ziet niet wat er op het spel staat wanneer iemand langdurig ziek wordt. Maar een samenleving die erkent dat kwetsbaarheid deel is van ons mens-zijn, ziet ook dat zorg, tijd, nabijheid en betrokkenheid gedeelde rijkdommen zijn. Het is precies die gedeelde rijkdom die commons-initiatieven versterken. Niet door het systeem te vervangen, maar door een andere manier van samenleven zichtbaar te maken: een manier die mensen niet reduceert tot hun arbeidscapaciteit, maar tot hun menselijkheid.

Langdurig zieken verdienen geen hardere aanpak, maar een samenleving die begrijpt dat zorg geen privilege is, maar een fundament. Dat vraagt een cultuur die minder gericht is op rendement en meer op solidariteit, en een beleid dat durft aansluiten bij wat mensen zelf al bouwen van onderuit.

Wie langdurig ziek wordt, verliest vaak controle. Maar als samenleving mogen we niet het morele kompas verliezen. We kunnen ervoor kiezen om systemen te bouwen die mensen nog verder isoleren, of om structuren te versterken die hen opnieuw verbinden. Commons laten zien hoe het anders kan. Tijd dat het beleid volgt — en eindelijk even zorgzaam wordt als de mensen die het probeert te sturen.

Koen Wynants

Koen Wynants
Commons Lab opnieuw erkend door Vlaamse Regering — stevige basis voor onze werking tot 2030

We zijn bijzonder trots om te kunnen melden dat Commons Lab opnieuw officieel erkend is door de Vlaamse Regering. Dat betekent dat we ook de komende vijf jaar kunnen rekenen op structurele middelen om ons beleidsplan 2026–2030 verder uit te voeren. Met deze beslissing bevestigt Vlaanderen het belang van onze werking.

Erkenning na grondige doorlichting

Om de vijf jaar worden alle sociaal-culturele organisaties doorgelicht door een onafhankelijke beoordelingscommissie. Op basis van die evaluatie beslist de Vlaamse Regering over nieuwe erkenningen en subsidies. Dit jaar was er bovendien een besparingsoefening binnen de begroting. De toename van subsidies voor de landelijke organisaties die al een erkenning hadden, zoals Commons Lab, worden afgetopt op 3%. Dankzij de erkenning ontvangt Commons Lab in 2026 een subsidie van € 200.418,25.

Dank aan iedereen die dit mogelijk maakte

Deze erkenning is niet enkel een formele bevestiging — ze is ook het resultaat van het dagelijkse werk van onze vrijwilligers, partners, leden, onderzoekers en geëngageerde burgers. Jullie maken het mogelijk om commons zichtbaar, bespreekbaar en realiseerbaar te maken.

Vooruitblik naar de komende jaren

Met een stevige basis in handen bouwen we de komende vijf jaar verder aan:

  • Het informeren van een breder publiek over het commons gedachtengoed,

  • Commons experimenten en praktijken in steden en buurten,

  • een beleid dat ruimte laat voor commons,

  • een sterker commons-ecosysteem in Vlaanderen,

  • toegankelijke kennis en ondersteuning voor burgers die zelf aan de slag willen,

 

We kijken er enorm naar uit om dit traject samen verder te zetten.

 

Dank voor jullie vertrouwen en engagement — op naar de volgende stappen in ons gedeelde verhaal!

 

Koen Wynants