De NAVO heeft artikel 5. Wanneer krijgt de aarde een artikel 5? Waarom de 21e eeuw nood heeft aan een wereldcommonsorde

De wereld maakt zich opnieuw klaar voor een tijdperk van onzekerheid. Regeringen verhogen defensiebudgetten. Miljarden vloeien naar nieuwe wapensystemen. Legers worden versterkt. De boodschap is duidelijk: veiligheid moet opnieuw centraal staan. En terecht. Een wereld zonder vrede en internationale rechtsregels is geen wereld waarin samenlevingen kunnen bloeien. Maar tegelijk voltrekt zich een andere veiligheidscrisis die zich niet laat tegenhouden door grenzen, legers of militaire macht.

De klimaatcrisis.

Deze zomer zien we opnieuw de signalen: extreme hitte, dodelijke temperaturen, verwoestende bosbranden, droogte en ecosystemen die steeds verder onder druk komen te staan. Toch behandelen we deze crisis nog steeds alsof ze behoort tot een apart beleidsdomein: het "milieu". Dat is een historische vergissing. De klimaatcrisis is geen milieuprobleem naast andere problemen. Ze raakt aan de fundamenten van onze veiligheid: voedsel, water, gezondheid, economie en maatschappelijke stabiliteit. De vraag van deze eeuw is daarom niet alleen hoe we ons beschermen tegen elkaar. De vraag is hoe we samen zorgen voor het systeem waarvan we allemaal afhankelijk zijn.

Onze veiligheidsinstituties stammen uit de vorige eeuw

Na twee wereldoorlogen bouwde de wereld instituties om vrede en veiligheid tussen staten te organiseren. De NAVO. De Verenigde Naties. De Europese samenwerking. Ze vertrokken vanuit een revolutionair inzicht: sommige bedreigingen zijn te groot om alleen te beantwoorden. Veiligheid ontstaat door samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheid. Maar de grote bedreigingen van vandaag passen steeds minder binnen nationale grenzen. Een virus houdt geen rekening met paspoorten. Een bosbrand stopt niet aan een grensovergang. Een veranderend klimaat vraagt geen toestemming aan regeringen. De problemen zijn mondiaal geworden, maar onze antwoorden zijn nog grotendeels nationaal georganiseerd. Daar zit de grote institutionele uitdaging van de 21e eeuw.

De aarde is de grootste common die we delen

Vanuit het commonsdenken is de klimaatcrisis in essentie een crisis van gedeeld beheer. Een common is iets waarvan iedereen afhankelijk is, maar dat niemand alleen kan beheren. Water. Lucht. Oceanen. Biodiversiteit. Een stabiel klimaat. Deze systemen zijn niet van niemand. Ze zijn van ons allemaal. Maar precies daarom kunnen ze niet behandeld worden als gewone economische goederen. We hebben de atmosfeer gebruikt als gratis afvalruimte. Bossen als grondstoffenvoorraad. Open ruimte als bouwreserve. Natuur als iets dat beschikbaar is zolang de marktwaarde beperkt blijft. Maar de aarde is geen bezit. Ze is de basisvoorwaarde voor al ons bezit.

Van collectieve verdediging naar collectieve zorg

De NAVO is gebaseerd op een krachtig principe: een aanval op één lidstaat wordt beschouwd als een bedreiging voor allen. Waarom bestaat er geen gelijkaardig principe voor de bescherming van onze planetaire commons? Wat als we zouden erkennen dat de vernietiging van ecosystemen, de destabilisering van het klimaat en het verlies van biodiversiteit geen problemen van afzonderlijke landen zijn, maar bedreigingen voor iedereen? Dan ontstaat een ander perspectief. Een wereldcommonsorde. Geen wereldregering. Geen utopie. Maar een nieuwe laag van internationale samenwerking waarin landen, steden, burgers en gemeenschappen samen verantwoordelijkheid opnemen voor de systemen die ons leven mogelijk maken.

Een wereldcommonsorde zou investeren in:

  • klimaatadaptatie in kwetsbare regio's;

  • herstel van bossen, oceanen en biodiversiteit;

  • gedeelde kennis en technologie;

  • fossielvrije energie;

  • waterveiligheid;

  • klimaatbestendige steden.

Niet als liefdadigheid. Maar als collectieve veiligheid.

De grootste uitdaging: politiek die nog gevangen zit in de oude logica

Natuurlijk rijst de vraag: wie gaat zo'n wereldcommonsorde organiseren? De huidige internationale politiek is nog sterk gebaseerd op nationale belangen, economische concurrentie en geopolitieke macht. Staten zullen niet vanzelf hun verantwoordelijkheid opnemen. Geschiedenis leert echter dat grote maatschappelijke veranderingen zelden beginnen in regeringsgebouwen.

Ze beginnen vaak bij mensen die nieuwe praktijken ontwikkelen. De arbeidersbeweging bouwde organisaties lang voor sociale rechten wettelijk werden verankerd. De milieubeweging creëerde bewustzijn lang voor klimaatbeleid politieke prioriteit werd. Coöperaties bewezen dat economie ook anders georganiseerd kan worden. Ook een wereldcommonsorde zal waarschijnlijk niet plots worden aangekondigd op een internationale top. Ze zal moeten groeien.

Van lokale commons naar mondiale verandering

Een wereldcommonsorde begint misschien niet in Genève of New York. Ze begint in buurten. In steden. In gemeenschappen. Elke energiecoöperatie waarin burgers samen eigenaar worden van de energietransitie. Elke buurt die samen onthardt en vergroent. Elke gemeenschap die water niet langer als afvalstroom maar als gedeelde hulpbron beheert. Elke boer en burger die samen werkt aan een ander voedselsysteem. Het zijn geen kleine uitzonderingen. Het zijn oefenplaatsen voor een andere manier van samenleven. Ze tonen dat burgers niet alleen consumenten of kiezers zijn. Ze kunnen ook mede-beheerders zijn van hun leefomgeving.

Vlaanderen als proeftuin

Ook Vlaanderen kan hierin een rol spelen. Niet door de wereldcommonsorde uit te roepen. Wel door te tonen hoe ze eruit kan zien. Door buurten te ondersteunen die zelf klimaatoplossingen ontwikkelen. Door energie, voedsel, water en natuur opnieuw als gedeelde verantwoordelijkheden te organiseren. Door nieuwe vormen van samenwerking tussen burgers, overheden, onderzoekers en organisaties mogelijk te maken. Dat is precies waar middenveldorganisaties zoals Commons Lab een rol spelen.

Niet door te wachten op de grote internationale verandering. Maar door vandaag al te oefenen in de principes waarop ze gebaseerd zal zijn:

  • gedeeld eigenaarschap.

  • democratische besluitvorming.

  • zorg voor de leefomgeving.

  • samen leren en experimenteren.

De strategische keuze van deze eeuw

De discussie van vandaag wordt vaak verkeerd voorgesteld. Alsof we moeten kiezen tussen veiligheid en klimaat. Maar dat is een vals dilemma. Geen leger kan een hittegolf stoppen. Geen raket kan een rivier herstellen. Geen tank kan biodiversiteit terugbrengen. De echte strategische keuze is welke wereldorde we willen bouwen. Een wereld waarin landen vooral concurreren om macht, grondstoffen en veiligheid? Of een wereld waarin landen ook leren samenwerken rond wat ons allemaal draagt? De twintigste eeuw bouwde een internationale veiligheidsorde. De eenentwintigste eeuw moet een wereldcommonsorde bouwen. Misschien krijgt de aarde nooit letterlijk een artikel 5. Maar misschien moeten we wel handelen alsof dat zo is. Want een aanval op onze planetaire commons is uiteindelijk een bedreiging voor ons allemaal.

De wereldcommonsorde zal niet worden uitgevonden door één leider, één verdrag of één instelling. Ze zal groeien uit miljoenen mensen die vandaag al leren hoe we samen zorg kunnen dragen voor wat van ons allemaal is. De toekomst van de aarde zal niet alleen worden bepaald door de machtigen. Maar door iedereen die verantwoordelijkheid neemt voor het gemeenschappelijke huis waarin we leven.

OpinieKoen Wynants
Wat circuscollectief 'Cul de bas' ons leerde over commons en collectieve verantwoordelijkheid

Soms zit de grootste opbrengst van een activiteit niet in wat er gebeurt tijdens de activiteit zelf, maar in de vragen die ze achteraf oproept.

Dit voorjaar kregen we een vraag van een opstartend circuscollectief (‘Cul de bas’), of ze de Amanduskerk mochten gebruiken voor een experimenteel zomers circusfestival. De voorbereiding bracht ons onverwacht bij een vraag die veel verder reikt dan circus alleen: hoe organiseren we verantwoordelijkheid en risico’s wanneer mensen zich spontaan willen verenigen?

Dat die vraag precies tijdens een circusproject op tafel kwam, is eigenlijk niet zo verrassend. In hedendaags circus draait alles rond onderlinge afhankelijkheid. Acrobatie, bascule en partnerwerk vereisen een extreem niveau van vertrouwen, aandacht en collectieve verantwoordelijkheid. Je veiligheid ligt letterlijk in de handen van anderen. Samenwerking is hier geen abstract ideaal, maar een dagelijkse praktijk.

Circuscollectieven delen bovendien veel meer dan een podium. Ze delen repetitieruimtes, materiaal, technische kennis, netwerken en artistieke processen. Kennis ontstaat niet individueel, maar collectief: door samen te trainen, te experimenteren en elkaar voortdurend te ondersteunen. Je zou kunnen zeggen dat het een vorm is van embodied commons: een commons van lichamen, vaardigheden, ritme, zorg en wederzijds vertrouwen.

Juist daarom vonden we deze samenwerking zo interessant, ook voor Commons Lab. Niet omdat een circuscollectief noodzakelijk een perfect commonsmodel is, maar omdat het zichtbaar maakt hoe gemeenschappelijkheid ontstaat. Hoe vertrouwen wordt opgebouwd. Hoe collectieve intelligentie groeit. En hoe verantwoordelijkheid nooit uitsluitend individueel is.

Zowel vanuit burgercollectief Amandus 2060 als Commons Lab wilden we het jonge burgercollectief zoveel mogelijk ontzorgen. Al snel kwamen we terecht bij vragen over aansprakelijkheid en verzekering. Wie is verantwoordelijk wanneer er iets misloopt? Welke verzekering is van toepassing? En hoe verzeker je een tijdelijk, informeel burgerinitiatief dat geen klassieke vereniging of professionele organisatie is?

We gingen op zoek naar een passende oplossing. Een verzekeringsmaatschappij werkte een voorstel uit, maar dat kwam uiteindelijk te laat om nog bruikbaar te zijn. Bovendien werd duidelijk dat het niet eenvoudig is om een verzekering te vinden die aansluit bij dit soort tijdelijke en collectieve initiatieven.

Uiteindelijk bleek dat slechts enkele individuele circusartiesten geen familiale verzekering hadden. We hebben hen open geïnformeerd over de situatie. Zij konden vervolgens zelf beslissen of ze, met kennis van de mogelijke risico's, wilden deelnemen aan de circusact. De workshop verliep gelukkig zonder incidenten.

Toch bleef één vraag hangen.

Misschien is het probleem niet dat burgercollectieven moeilijk te verzekeren zijn. Misschien is het probleem dat onze bestaande systemen vooral gebouwd zijn voor individuen, verenigingen en professionele organisaties. Voor jonge mensen die zich tijdelijk organiseren rond een maatschappelijk initiatief bestaat er nauwelijks een passend institutioneel kader.

Dat is geen louter technische kwestie. Het raakt aan de kern van wat commons zijn.

Commons gaan immers niet alleen over het delen van ruimte, kennis of middelen. Ze gaan ook over het gezamenlijk organiseren van verantwoordelijkheid. Hoe kunnen we de risico's van samenwerken collectief dragen, zonder dat elk initiatief zich eerst moet omvormen tot een formele organisatie?

Misschien kunnen we daarvoor inspiratie vinden in een heel andere sector: Community Supported Agriculture (CSA). Binnen CSA engageren burgers zich niet alleen om lokale landbouw te ondersteunen, maar ook om de onzekerheden van het landbouwproces mee te dragen. Wanneer een oogst tegenvalt, wordt het risico niet volledig afgewenteld op de boer. De gemeenschap deelt mee in de verantwoordelijkheid.

Zou een gelijkaardige logica ook denkbaar zijn voor burgercollectieven? Niet om veiligheid of aansprakelijkheid te negeren, maar om na te denken over nieuwe vormen van collectieve zorg. Kunnen we werken met een gedeeld solidariteitsfonds? Een commonsverzekering? Een onderlinge waarborgstructuur die tijdelijke burgerinitiatieven ondersteunt?

Eigenlijk is dat idee minder nieuw dan het lijkt. Ook verzekeringen zijn historisch ontstaan vanuit onderlinge solidariteit. Gilden, mutualiteiten en onderlinge waarborgmaatschappijen waren manieren waarop mensen risico's samen organiseerden, lang voordat commerciële verzekeringen die rol overnamen.

Misschien is het tijd om die traditie opnieuw te bekijken, aangepast aan de uitdagingen van vandaag.

Voor Commons Lab voelt deze ervaring daarom niet als een afgesloten hoofdstuk, maar als het begin van een nieuwe onderzoeksvraag. Als we burgers willen aanmoedigen om samen initiatief te nemen, dan moeten we misschien ook nieuwe institutionele vormen ontwikkelen die dat mogelijk maken.

Want een sterke common ontstaat niet alleen doordat mensen bereid zijn om samen te werken. Ze ontstaat ook doordat de samenleving structuren ontwikkelt die die samenwerking mogelijk maken.

Commons Lab ondersteunt het nieuwe burgercollectief Amandus 2060 bij de ontwikkeling en beheer van de Sint-Amanduskerk als een common. De Sint-Amanduskerk is sinds 2 jaar ook de thuisbasis van Commons Lab.

Website circuscollectief: Cul de Bas Productions

OPINIE: Open water is van iedereen. De verantwoordelijkheid ook

Schotense vaart als gemeengoed

De Vlaamse Regering presenteert de nieuwe regels rond openwaterzwemmen als een overwinning voor de vrijheid. Vanaf 2027 wordt zwemmen in open water in principe overal mogelijk, tenzij een verbod geldt. Dat is op het eerste gezicht een positieve evolutie. Onze rivieren, meren en plassen worden meer toegankelijk als plekken voor ontspanning, ontmoeting en beweging.

Maar de manier waarop deze vrijheid wordt georganiseerd, verdient meer debat. Want tegelijk klinkt de boodschap: buiten erkende zwemzones zwem je op eigen risico. De overheid opent de deur, maar legt de verantwoordelijkheid voor wat er achter die deur gebeurt grotendeels bij de individuele burger. Zo dreigt een publieke ruimte die we samen delen, te worden herleid tot een individuele keuze met individuele gevolgen.

Daarmee missen we een belangrijke kans. Water is immers nooit alleen een plek om te zwemmen. Onze waterlopen en waterpartijen zijn levende ecosystemen, bronnen van biodiversiteit, buffers tegen klimaatverandering en plaatsen waar mensen elkaar ontmoeten. Ze zijn geen product dat we consumeren, maar een gemeenschappelijk goed waar we samen zorg voor dragen.

Een andere benadering vertrekt vanuit gedeelde verantwoordelijkheid. De centrale vraag is dan niet: "Wie draagt de schuld als het fout loopt?" maar: "Hoe organiseren we samen de voorwaarden zodat iedereen veilig en duurzaam gebruik kan maken van water?"

Dat vraagt om een andere manier van beleid maken. De overheid moet niet alles controleren, maar wel haar verantwoordelijkheid opnemen: zorgen voor betrouwbare informatie over waterkwaliteit en risico’s, kennis delen, monitoring organiseren en een duidelijk kader creëren waarin lokaal initiatief kan groeien. Waterbeheerders en terreinbeheerders kennen de kwetsbaarheden van hun gebieden en moeten betrokken worden bij het beheer. Lokale gemeenschappen kunnen mee zorg dragen voor hun omgeving. En gebruikers worden niet gezien als passieve consumenten, maar als mede-verantwoordelijke partners.

Dat die bereidheid tot gedeelde verantwoordelijkheid bestaat, bewijzen talrijke lokale initiatieven. Aan de Schotense Vaart bijvoorbeeld werken bewoners en organisaties samen rond de vraag hoe de vaart en haar oevers opnieuw een plek van ontmoeting, natuurbeleving en gedeeld gebruik kunnen worden. In plaats van te wachten tot een overheid een oplossing uitwerkt, brengen mensen zelf kennis, engagement en zorg samen. Het traject rond "De Vaart(kant) als gemeengoed", met betrokkenheid van onder meer Waterland, Commons Lab en lokale partners, toont dat burgers niet alleen gebruikers van water willen zijn, maar ook beheerders en beschermers ervan.

Zo’n aanpak gaat ook verder dan veiligheid alleen. Een rivier of meer dat veilig toegankelijk is voor mensen, moet tegelijk ook leefbaar blijven voor planten en dieren. Waterkwaliteit, ecologie, recreatie en klimaatbestendigheid zijn geen aparte thema’s, maar verschillende kanten van dezelfde uitdaging. Wie mensen opnieuw verbindt met water, vergroot ook het draagvlak om dat water te beschermen.

Dit is geen pleidooi voor meer betutteling of meer regels. Het is een pleidooi voor een andere verhouding tussen overheid en samenleving. Een overheid die niet zegt: "Je mag dit doen, maar trek je plan." Wel een overheid die zegt: "Dit is van ons allemaal, dus we zorgen er ook samen voor."

De toekomst van onze wateromgeving vraagt precies dat: niet minder overheid, maar een andere overheid. Niet minder vrijheid, maar vrijheid die gedragen wordt door zorg en betrokkenheid. De overheid hoeft niet alles zelf te doen, maar moet wel ruimte maken voor zij die verantwoordelijkheid willen opnemen.

Daarom pleiten wij voor een nieuw kader voor openwaterrecreatie: maak van elke toegankelijke zwemlocatie een gedeelde waterplek. Een plek waar overheid, waterbeheerders, lokale besturen, natuurorganisaties en gebruikers samen afspraken maken over veiligheid, waterkwaliteit, ecologie en zorg. Geen versnipperde verantwoordelijkheden, maar een gedeeld engagement.

Laat Vlaanderen niet alleen de toegang tot water verruimen, maar ook de voorwaarden creëren om er samen zorg voor te dragen. Want de gemeenschappen die hiervoor verantwoordelijkheid willen opnemen, bestaan al. Het beleid moet ze niet vervangen, maar erkennen, ondersteunen en versterken.

Open water is van iedereen. De verantwoordelijkheid ook.

Samen werken aan groene commons in Borgerhout – Veel enthousiasme tijdens de startmomenten ‘In nature’

De startmomenten van ons InNature-project in Borgerhout waren bijzonder inspirerende bijeenkomsten, gekenmerkt door warme ontmoetingen, nieuwsgierigheid en een sterke gedeelde energie om samen aan de slag te gaan. In beide wijken kwamen heel wat geïnteresseerde deelnemers samen, wat zorgde voor rijke gesprekken en een breed palet aan perspectieven op de toekomst van hun buurt. 

Wat meteen opviel was de sfeer van hoop en betrokkenheid. Veel deelnemers gaven aan dat het waardevol en hoopgevend was om samen te komen rond de toekomst van hun leefomgeving, en om die toekomst niet als iets passiefs te bekijken, maar als iets wat we samen kunnen vormgeven. Er ontstond duidelijk een gevoel van gedeeld eigenaarschap over de buurt en haar verdere ontwikkeling. 

Binnen de commons-benadering van het project werd dit nog versterkt: de buurt werd niet enkel gezien als een plek om over te praten, maar als een gedeelde ruimte die we samen beheren, verzorgen en opnieuw kunnen uitvinden. Die collectieve houding — tussen bewoners, organisaties, onderzoekers, kunstenaars en de natuur zelf — vormde de basis van de gesprekken. 

Doorheen deze eerste ontmoetingen verzamelden we ook al heel wat waardevolle kennis en inzichten over beide wijken: over klimaatuitdagingen zoals hitte en wateroverlast, over sociale dynamieken, en over biodiversiteit en de bestaande en mogelijke relaties tussen mens en natuur in de stad. In het dichtbebouwde Borgerhout, waar zomerse hitte en hevige regen steeds voelbaarder worden, werd nog eens duidelijk hoe relevant en urgent deze gezamenlijke aanpak is. 

Het InNature-project (2025–2029) wil samen met bewoners en partners twee specifieke wijken in Borgerhout groener en veerkrachtiger maken. Dat doen we niet top-down, maar via een commons-gebaseerde aanpak waarin burgers, ecologen, wetenschappers, middenveldorganisaties en kunstenaars samen de stad herdenken en mee vormgeven. Samen zoeken we naar manieren om verharding te doorbreken, water beter op te vangen en verkoeling te creëren, maar ook om zorg voor de natuur als gedeelde verantwoordelijkheid te verankeren. 

Een bijzonder sterke respons kwam er op onze “at conversations”-methodiek, waarbij we in dialoog gaan mét en via de natuur. Deze aanpak sloeg duidelijk aan: deelnemers ervaarden het als een open, toegankelijke en tegelijk diepgaande manier om na te denken over hun buurt, voorbij klassieke vergader- of participatievormen. 

Deze eerste startmomenten geven ons nog meer goesting om de komende jaren verder te werken met en in de gemeenschappen. We vertrekken met veel energie, dankbaarheid en het gevoel dat er iets waardevols in beweging is gezet — iets wat we samen verder zullen laten groeien als een gedeelde common. 

Sint-Amandus als gedeeld leerproces in natuurweefplanning

Op de Sint-Amandussite groeit vandaag geen klassiek heraanlegproject, maar een collectief experiment in natuurweefplanning. In een dense, verharde en watergevoelige wijk ontstaat stap voor stap een zoektocht naar natuur op mensenmaat — niet vanuit een vast eindbeeld, maar door samen te doen, te testen en bij te sturen.

Vanuit Commons Lab zien we Sint-Amandus als een gedeeld leer- en doe-traject. Kleine ingrepen zoals een erfgoedboomgaard, bijenkasten, verbonden tuinen en nieuwe ontmoetingsplekken maken natuur tastbaar in de buurt. Belangrijk daarbij is dat het project niet van nul vertrekt. Het bouwt verder op bestaande buurtinitiatieven, sociale praktijken en lokale dynamieken.

Net daarin schuilt een belangrijke les voor natuurweefplanning: de kracht zit niet alleen in ontwerp, maar in het versterken van wat al leeft. Door samen rond concrete ingrepen te werken, ontstaan nieuwe verbindingen tussen bewoners, organisaties, gebouw en ecologie. Ook de kerk zelf verandert mee, met ruimtes die nieuwe betekenissen en vormen van gebruik krijgen.

Sint-Amandus toont tegelijk dat experimenteren ook onzekerheid en frictie met zich meebrengt. Vragen rond beheer, eigenaarschap en regelgeving blijven voortdurend opduiken. Maar precies die complexiteit wordt hier niet vermeden, maar meegenomen als deel van het leerproces.

Wat deze plek bijzonder maakt, is dat ze bewust onaf blijft. Geen afgewerkt project, maar een levende praktijk waarin natuur, gemeenschap en erfgoed samen evolueren. Of zoals tijdens een proeftuindag werd gezegd: “De zoektocht naar een evenwicht tussen religie, gemeenschap en natuur vormt de ruggengraat van dit traject.”

Sint-Amandus laat zo zien hoe natuur kan groeien in de stad: niet door ze volledig te plannen en uit te rollen, maar door ruimte te maken voor gedeeld experiment, zorg en mede-eigenaarschap.

Om de processen rondom natuurweefselplanning te testen en te versterken heeft het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) een aantal proeftuinen opgezet. Die proeftuinen doorlopen een volledig natuurweefselplanningstraject en vormen samen een netwerk waarbij bevindingen en uitdagingen gedeeld worden. De Amandussite in Antwerpen-Noord waar Commons Lab gevestigd is, is door de Vlaamse Overheid geselecteerd. Commons Lab ondersteunt dit proeftuintraject mee vanuit een commonsinsteek.

Koen Wynants
De 1000km van Kom op tegen kanker: de samenleving die toont wie ze in haar mooiste vorm kan zijn

Niet in studio’s of parlementen. Niet in cijfers, dossiers of harde debatten. Maar langs Vlaamse wegen, op dorpspleinen, in schoolrefters en buurthuizen. In mensen die wafels bakken tot laat in de avond. In vrijwilligers die tafels versleuren. In kinderen die sponsorbriefjes verkopen. In supporters die uren wachten om één renner voorbij te zien komen — en dan applaudisseren alsof het hun eigen familie is.

De Kom op tegen Kanker 1000 km is zoveel meer dan een fietsevenement. Het is een golf van menselijkheid die door Vlaanderen trekt.

Overal ontstaan kleine wonderen van verbondenheid. Collega’s worden vrienden. Buren vinden elkaar terug. Mensen die elkaar nooit eerder spraken, delen plots verhalen over verlies, hoop, angst en liefde. En telkens opnieuw gebeurt hetzelfde: kwetsbaarheid duwt mensen niet uit elkaar, maar brengt hen dichter bij elkaar.

Wat hier ontstaat, is iets wat we een common van zorg zouden kunnen noemen. Geen systeem dat van bovenaf georganiseerd wordt, maar een levende gemeenschap die samen verantwoordelijkheid opneemt voor iets wat iedereen raakt. Gezondheid wordt hier geen individueel project, maar een gedeelde werkelijkheid. Iets wat je niet alleen draagt, maar samen bewaart, beschermt en voedt.

Dat is misschien waarom de 1000 km zoveel mensen diep raakt. Omdat je daar voelt hoe sterk mensen eigenlijk zijn wanneer ze samen zorg dragen. Niet vanuit verplichting. Niet omdat het moet. Maar omdat iets in ons weet dat niemand gemaakt is om moeilijke dingen alleen te dragen.

Zeker na de harde discussies over langdurig zieken van de voorbije week voelt dat bijna ontroerend radicaal. Terwijl het publieke debat soms kil wordt en mensen herleidt tot dossiers of percentages, gebeurt hier het tegenovergestelde: mensen worden opnieuw mensen. Geen cijfers. Geen kostenposten. Maar geliefden, vrienden, collega’s, ouders, kinderen.

De 1000 km herinnert ons eraan dat zorg nooit alleen georganiseerd wordt in instellingen. Zorg leeft tussen mensen. In kleine gebaren. In aanwezigheid. In samen blijven doorgaan.

Misschien is dat uiteindelijk de echte kracht van dit evenement: het toont een samenleving die nog niet vergeten is hoe ze zacht kan zijn. Een samenleving waarin solidariteit geen slogan is, maar iets tastbaars. Iets dat je voelt in applaus, in tranen, in vermoeide benen en in armen rond schouders aan de finish.

Vier dagen lang verschijnt een ander Vlaanderen.
Een warmer Vlaanderen.
Een trager Vlaanderen.
Een Vlaanderen dat zegt: we laten elkaar niet los.

En misschien is dat wat zoveel mensen meenemen naar huis na die duizend kilometer: niet alleen de vermoeidheid of de ontroering, maar een diep geloof dat liefde nog altijd een organiserende kracht kan zijn.

Dat gemeenschap nog bestaat.
Dat warmte zich vermenigvuldigt wanneer je ze deelt.
Dat solidariteit echte spieren heeft.

Een lange stoet fietsers, gedragen door duizenden handen langs de weg.

Niet omdat niemand valt.
Maar omdat iedereen telkens weer wordt opgeraapt.

Niemand rijdt alleen.

Met dank aan ‘het Bleek Verzet’, alle supporters, vrijwilligers, Kom op tegen Kanker

Koen Wynants
Terugblik op het eerste kwartaal van 2026

Tijdens onze laatste Algemene Vergadering kregen we een scherpe en terechte vraag van één van onze leden: wat heeft Commons Lab de voorbije maanden concreet teweeggebracht? Wat hebben we geleerd, wat werkt, wat werkt minder, en waar liggen vandaag de grootste kansen en drempels voor de commonsbeweging? Het zijn vragen die raken aan de kern van onze werking. De komende jaren willen we dan ook nog bewuster inzetten op het delen van onze inzichten, ervaringen, tips en impact met onze vrijwilligers, partners en bredere netwerk. Deze blog is daar een eerste, uitgebreide stap in.

Een nieuwe mijlpaal: het Commons Learning Lab

De eerste drie maanden van 2026 markeren een belangrijke mijlpaal in onze werking. Voor het eerst in onze geschiedenis organiseerden we zelf een reeks experimentele vormingsactiviteiten rond commons. Centraal daarin staat ons gloednieuwe Commons Learning Lab — een plek waar mensen samen leren, experimenteren en reflecteren rond gemeengoed, collectief eigenaarschap en samenwerking.

In Antwerpen organiseerden we twee basisvormingen, telkens in ons hoofdkantoor. In totaal namen 26 mensen deel. Een groot deel van hen kwam uit ons bestaande netwerk, maar we bereikten ook nieuwe geïnteresseerden die voor het eerst in aanraking kwamen met het commons-denken. De feedback was bijzonder positief: deelnemers waardeerden zowel de inhoud als de aanpak, en gaven aan dat de vormingen hen concrete handvatten boden om zelf aan de slag te gaan.

Die positieve reacties bleven niet zonder gevolg. Intussen krijgen we steeds vaker de vraag om deze basisvorming ook op andere plekken in Vlaanderen aan te bieden. Zo trekken we in juni naar de mijnsite in Zolder. Deze interesse sterkt ons in de overtuiging dat we het Commons Learning Lab de komende maanden breder willen uitrollen, bij voorkeur in nauwe samenwerking met lokale commons hubs en gemeenschappen.

Verdieping en lokale verankering

Naast de basisvorming zetten we ook stappen richting meer verdieping en lokale verankering. In Turnhout organiseerden we, samen met onze lokale partner het Natuurhuis, een driedelige vormingsreeks rond “optimaal communiceren” binnen commonsinitiatieven. Elf deelnemers gingen intensief aan de slag met communicatievraagstukken die eigen zijn aan collectieve processen en gedeeld eigenaarschap.

Ook hier was de feedback zeer positief. Deelnemers gaven niet alleen aan dat ze veel geleerd hadden, maar spraken ook expliciet de wens uit om nog verder te verdiepen. Vanuit die dynamiek groeit nu het idee om in de Kempen een duurzame intervisiegroep op te starten, waar initiatiefnemers elkaar op regelmatige basis kunnen ontmoeten, ondersteunen en versterken.

Nieuwe connecties, nieuwe samenwerkingen

De vormingen leveren meer op dan kennisdeling alleen. Ze creëren ruimte voor ontmoeting, uitwisseling en het ontstaan van nieuwe samenwerkingen. Via het Commons Learning Lab legden we de voorbije maanden heel wat nieuwe contacten met deelnemers uit diverse achtergronden.

Een concreet voorbeeld is de samenwerking met KU Leuven-doctoraatstudent Bram Vidts, met wie we momenteel een nieuwe vorming ontwikkelen die zich specifiek richt op ambtenaren. Daarnaast merken we dat deelnemers na een eerste kennismaking vaker aansluiten bij andere activiteiten van Commons Lab, zoals onze tweemaandelijkse COMPAS-sessies. Dat wijst op een groeiende betrokkenheid en een versterkend ecosysteem rond commons.

Groeiende vraag naar onze expertise

Parallel met onze eigen vormingsinitiatieven zien we ook een duidelijke toename in de vraag naar onze expertise van buitenaf. Steeds meer organisaties, overheden en onderwijsinstellingen doen een beroep op Commons Lab voor lezingen, workshops en trajecten rond commons.

Enkele momenten uit het eerste kwartaal:

  • In januari gaven we, op vraag van IOK, een webinar voor een veertigtal Kempense beleidsmakers.

  • In februari begeleidden we een “learning journey” voor ongeveer 40 studenten van de Antwerp Management School, langs verschillende commonsinitiatieven.

  • In maart organiseerden we samen met Socius en Nomad City een vorming rond commons in Hasselt.

Daarnaast werden we de voorbije maanden uitgenodigd door verschillende hogescholen (zoals HOWEST, VIVES, AP en KdG) om workshops en presentaties te geven. Ook overheden vinden steeds vaker hun weg naar ons: zo vroeg het Departement Omgeving ons om in april een workshop te geven over de ondersteuning van Tuinstraten tijdens een Vlaamse studiedag.

Deze groeiende vraag bevestigt dat het thema commons steeds breder begint te leven in Vlaanderen, en dat er nood is aan kennis, begeleiding en praktijkgerichte inzichten.

Eerste leerlessen in een notendop

Als we terugblikken op dit eerste kwartaal, tekenen zich enkele duidelijke leerlessen af. Onze vormingen vinden hun publiek en worden sterk gewaardeerd, zowel qua inhoud als aanpak. Tegelijk merken we dat deelnemers niet alleen interesse hebben in het thema commons, maar ook in Commons Lab als organisatie en netwerk.

De vraag naar verdieping is groot: er is nood aan meer gespecialiseerde en meerdaagse trajecten die ingaan op specifieke aspecten van commonspraktijken, zoals governance, communicatie of samenwerking met overheden. We zien ook dat we steeds vaker gevraagd worden om onze expertise te delen in heel Vlaanderen, wat wijst op een groeiende relevantie.

Tegelijk blijft ons bereik voorlopig nog relatief sterk verbonden met bestaande netwerken — mensen die via via al in aanraking kwamen met commons. Net daar liggen voor ons belangrijke kansen om de beweging verder te verbreden en nieuwe doelgroepen te bereiken.

Vooruitblik

Deze eerste maanden geven ons veel vertrouwen voor de toekomst. We zijn er vandaag al van overtuigd dat we onze doelstellingen — in het bijzonder rond het delen van kennis, ervaringen en praktijken rond commons — de komende jaren verder zullen kunnen realiseren en versterken.

De uitdaging ligt nu in het verder uitbouwen van ons aanbod, het verdiepen van leertrajecten en het versterken van lokale verankering, zodat steeds meer mensen en organisaties kunnen experimenteren met commons als alternatief en aanvullend model voor onze samenleving.

Interesse?

Heb je interesse in een vorming rond commons, of wil je mee organiseren binnen jouw organisatie of regio? Neem zeker een kijkje op onze kalender of neem contact met ons op. Samen bouwen we verder aan een lerend netwerk rond gemeengoed.

VerslagJoppe Ruts
Commons, afspraken en sancties: de architectuur van gedeelde zorg

We krijgen wel eens vragen van burgercollectieven over het maken van afspraken. Wie voert controle uit of afspraken wel gevolgd worden? Wat als onderling gemaakte afspraken niet nagekomen worden? Moeten er dan sancties opgelegd worden?

Commons zijn geen “vrije” ruimtes zonder regels, maar hangen juist sterk af van zorgvuldig opgebouwde afspraken. Deze afspraken zijn geen externe opgelegde wetten, maar ontstaan in dialoog tussen de betrokkenen zelf. Ze zijn contextueel, dynamisch en geworteld in wederzijds vertrouwen. In tegenstelling tot markt- of staatslogica, waar regulering vaak top-down gebeurt, zijn commons gebaseerd op co-governance: het gezamenlijk vormgeven van regels door degenen die erdoor geraakt worden.

Toch is vertrouwen alleen niet voldoende. Elke gemeenschap — hoe betrokken ook — wordt geconfronteerd met spanningen, misbruik of verschillen in engagement. Hier komen sancties in beeld. Binnen een commons-benadering zijn sancties echter fundamenteel anders dan in klassieke juridische systemen. Ze zijn niet primair bestraffend, maar corrigerend en relationeel. Het doel is niet uitsluiting, maar herstel van evenwicht binnen de gemeenschap.

Een belangrijk inzicht uit commons-praktijken is dat sancties best gradueel en proportioneel zijn. Kleine overtredingen vragen om lichte correcties: een gesprek, een herinnering aan de afspraken, een uitnodiging tot reflectie. Pas wanneer gedrag structureel schadelijk blijkt, kunnen zwaardere maatregelen volgen. Deze gelaagdheid voorkomt escalatie en versterkt het gevoel van rechtvaardigheid. Mensen ervaren regels dan niet als opgelegd, maar als gedeeld gedragen.

Bovendien zijn sancties in commons idealiter transparant en ingebed in collectieve besluitvorming. Wie beslist wat een overtreding is? Wie spreekt iemand aan? Door deze vragen open te houden en samen te beantwoorden, blijft de legitimiteit van het systeem intact. Dit voorkomt dat macht zich concentreert bij enkelen en bevordert een cultuur van aanspreekbaarheid.

Vanuit een Commons Lab-perspectief kunnen we sancties dus zien als een vorm van zorg: zorg voor de relatie, voor de hulpbron en voor de gemeenschap als geheel. Ze maken deel uit van een bredere ethiek waarin verantwoordelijkheid niet wordt afgedwongen van buitenaf, maar groeit van binnenuit.

Toch schuilt hier ook een uitdaging. Commons vragen tijd, betrokkenheid en voortdurende communicatie. In een samenleving die sterk gericht is op efficiëntie en individualisering, is dat geen vanzelfsprekende investering. Het risico bestaat dat commons overbelast raken of dat informele sancties leiden tot sociale druk of uitsluiting.

Daarom pleit de Commons Lab-visie voor het expliciet maken en blijven bevragen van afspraken en sancties. Niet als starre structuren, maar als levende praktijken. Wat werkt nog? Wie wordt gehoord? Waar ontstaan blinde vlekken? Door deze reflexiviteit kunnen commons zich aanpassen en veerkrachtig blijven.

Uiteindelijk tonen commons dat samenwerking geen naïef ideaal is, maar een complexe praktijk die structuur én zorg vereist. Afspraken geven richting, sancties bewaken de balans, en samen vormen ze de onzichtbare architectuur van gedeelde werelden. In die zin zijn commons geen alternatief naast de markt of de staat, maar een fundamentele aanvulling: een manier van organiseren die vertrekt vanuit het besef dat wat we delen, ons ook samen vormt.

Koen Wynants
Zorgzame samentuinen in Antwerpen vieren sterke resultaten én lanceren nieuwe oproep voor 2026

Met de feestelijke uitreiking van “Zorgzame Samentuin 2025”-plakkaatjes geeft Commons Lab het burgerbegrotingsproject rond zorgzame samentuinen in het district Antwerpen officieel een doorstart naar 2026. De uitreiking vond plaats tijdens een warme slotactie in de Zorgzame Samentuin Europark op Linkeroever, waar buurtbewoners en samentuiniers samen de handen uit de mouwen staken.

Tijdens deze laatste bijeenkomst bouwden deelnemers, samen met ambachtsman Dirk van Houthart, een unieke rustbank in een zelfgebouwde yurt van wilgentenen. Deze plek vormt voortaan het hart van de tuin: een centrale ontmoetingsplek waar tuiniers even kunnen pauzeren, verbinden en tot rust komen.

 

Wat is een zorgzame samentuin?

Iris van Commons Lab legt uit: “Een zorgzame samentuin is voor ons een plek waar mensen samen tuinieren én tegelijk voor elkaar zorgen. Het is een warme, toegankelijke omgeving waar buurtbewoners, met en zonder zorgnoden, elkaar ontmoeten, versterken en op hun eigen tempo kunnen deelnemen. Wat er groeit in de tuin is belangrijk, maar wat er tussen mensen groeit — verbinding, vertrouwen en zorg — is minstens even waardevol.” Een zorgzame samentuin is dus een plek waar samen tuinieren hand in hand gaat met sociale ondersteuning en zorg. Het zijn plekken waar buurtbewoners, jong en oud, met en zonder zorgnoden, elkaar ontmoeten en versterken.

 

In 2025 ondersteunde Commons Lab drie samentuinen in het district Antwerpen in hun groei naar meer zorgzame en inclusieve plekken: Samentuin Europark op Linkeroever, Samentuin De Verborgen Koostertuin in Antwerpen-Noord en ‘t Hofke van Lozane in de Harmoniewijk.

 

Dankzij gerichte ondersteuning van Commons Lab konden deze tuinen activiteiten organiseren waarbij diverse groepen samen tuinierden. OKAN-leerlingen, senioren uit woonzorgcentra, jongeren in kwetsbare situaties en buurtbewoners vonden elkaar in en rond de tuin. Senioren bleven actief en deelden hun kennis via verhoogde tuinbedden, jongeren zetten hun talenten in en vonden aansluiting, en nieuwkomers kregen de kans om Nederlands te oefenen in een informele context. “Tegelijk zagen we ook de eerste  tekenen van meer sociale cohesie in de buurt.”, aldus Iris, “Elk tuin-collectief werkte op zijn eigen tempo en vanuit zijn eigen context aan meer zorgzaamheid. Dat gebeurde zowel door gerichte ingrepen in de infrastructuur, zoals toegankelijkere tuinbedden en ontmoetingsplekken, als door het opstarten van nieuwe samenwerkingen en het versterken van de openheid naar mensen met zorgnoden.”

 

Op één jaar tijd maakten met de hulp van Commons Lab en partners zoals het Team Commons en Samentuinen van de Stad Antwerpen, drie tuinen zo duidelijke stappen richting inclusievere en warmere plekken in hun buurt.

Het succes van het traject in 2025 wil Commons Lab samen met haar partners en met de steun van de Antwerpse Burgerbegroting herhalen in 2026. Samentuinen in het district Antwerpen kunnen zich nog tot en met 31 maart aanmelden om gratis ondersteuning te krijgen om hun werking (nog) zorgzamer te maken. Met deze oproep wil Commons Lab nog meer tuinen ondersteunen in hun rol als plekken waar zorg en gemeenschap samenkomen en waar iedereen kan bijdragen én zorgzaamheid kan vinden.

 

Geïnteresseerde samentuinen kunnen zich aanmelden via iris@commonslab.be (laatste dagen)

 

Waarom parochiekerken ideale 'commons labs' zijn: een infrastructuur voor het samenleven

In steden en dorpen verspreid over Vlaanderen staan ze als bakens uit een ander tijdperk: parochiekerken die hun vanzelfsprekende functie hebben verloren. Waar ooit wekelijks (dagelijks) een gemeenschap samenkwam, heerst vandaag vaak leegte of onzekerheid. De vraag wat met deze gebouwen te doen, wordt meestal gesteld in termen van herbestemming: welke nieuwe functie kan de oude vervangen? Maar misschien is dat de verkeerde vraag. Wat als we parochiekerken niet zien als probleemgevallen, maar als een unieke kans om nieuwe vormen van samenleven te ontwikkelen?

Projecten zoals Amandus 2060 suggereren een ander perspectief. In plaats van de kerk te reduceren tot vastgoed dat een nieuwe invulling nodig heeft, wordt ze benaderd als een commons lab: een experimentele ruimte waar collectief gebruik, gedeeld beheer en sociale innovatie samenkomen. Dat is geen kant-en-klare oplossing, maar een uitnodiging tot een ander soort praktijk — één die vertrekt vanuit gemeenschap in plaats van markt of overheid alleen.

Wat parochiekerken bijzonder maakt, is hun oorspronkelijke logica. Ze zijn niet gebouwd voor consumptie of efficiëntie, maar voor samenkomst. Hun architectuur — open, centraal, vaak indrukwekkend in schaal — draagt nog steeds de sporen van een collectieve bestemming. In een tijd waarin publieke ruimte steeds vaker onder druk staat, bieden deze gebouwen een zeldzaam alternatief: plekken die niet per definitie moeten renderen, maar kunnen dienen.

De omslag naar een commons-benadering betekent dat de kerk niet langer gezien wordt als bezit van een instelling, maar als een ruimte in gedeeld beheer. Dat vraagt om nieuwe vormen van organisatie. Niet één actor die beslist en programmeert, maar een netwerk van betrokkenen — buurtbewoners, verenigingen, kunstenaars, zorginitiatieven — die samen verantwoordelijkheid opnemen. Gebruik en beheer worden wederkerig: wie de ruimte gebruikt, draagt ook bij aan haar voortbestaan.

Dat proces verloopt zelden lineair. Integendeel, het commons-model veronderstelt frictie. Verschillende noden, ritmes en verwachtingen botsen met elkaar. Maar precies in die botsing ontstaat iets waardevols: een oefening in democratie op kleine schaal. Wie krijgt toegang tot de ruimte? Welke activiteiten krijgen voorrang? Hoe worden conflicten opgelost? In plaats van deze vragen uit te besteden aan een beheerder, worden ze onderwerp van collectieve onderhandeling.

Parochiekerken hebben nog een andere troef: tijd. In een context waarin stedelijke ontwikkeling vaak wordt gedomineerd door snelheid en tijdelijke projecten, bieden kerken een zeldzame traagheid. Ze staan er al decennia, soms eeuwen, en zullen niet snel verdwijnen. Die continuïteit maakt ze geschikt voor langetermijnexperimenten. Gemeenschapsvorming laat zich niet afdwingen binnen de logica van korte projecten; ze groeit langzaam, via herhaling, vertrouwen en gedeelde ervaringen.

Ook de symbolische dimensie van kerken speelt een rol. Zelfs voor wie niet gelovig is, dragen deze gebouwen een zekere ernst en aandacht in zich. Ze zijn ontworpen als plekken waar iets van betekenis gebeurt. Die kwaliteit kan worden herwerkt in hedendaagse vormen: collectieve maaltijden, herdenkingsmomenten, artistieke praktijken, zorginitiatieven. De religieuze invulling maakt plaats voor een bredere interpretatie van zingeving, zonder dat de plek haar diepgang verliest.

In Amandus 2060 wordt die zoektocht concreet. De kerk wordt er geen neutrale zaal met een programmatie, maar een levend geheel waarin verschillende praktijken naast elkaar bestaan en elkaar beïnvloeden. De uitdaging ligt niet alleen in het openstellen van de ruimte, maar in het opbouwen van een gemeenschap die zich ermee verbonden voelt.

Dat vraagt ook om een herwaardering van zorg. Commons draaien niet alleen om toegang, maar om verantwoordelijkheid. Wie zorgt voor het gebouw? Wie houdt de plek open, verwarmd, uitnodigend? En hoe wordt die zorg verdeeld? In plaats van deze vragen te zien als praktische obstakels, kunnen ze begrepen worden als de kern van het project. Zorg wordt geen last, maar een gedeelde praktijk die mensen met elkaar verbindt.

De toekomst van parochiekerken zal niet eenduidig zijn. Sommige zullen verdwijnen, andere een commerciële invulling krijgen. Maar daar waar ruimte ontstaat voor experiment, ligt een kans om iets fundamenteels te herdenken: hoe we ruimte delen, hoe we beslissen, hoe we samenleven. Als commons labs kunnen kerken opnieuw centraal worden — niet als religieuze instituten, maar als infrastructuren van het gemeenschappelijke.

Misschien is dat de meest relevante erfenis die deze gebouwen ons vandaag kunnen bieden: niet een vastgelegde betekenis, maar de mogelijkheid om betekenis samen te maken.

Koen Wynants
Burgerbudgetten als hefboom voor commons: lessen uit district Antwerpen

In veel steden blijft de vraag hoe burgers actief kunnen meebeslissen over publieke middelen en lokaal beleid een uitdaging. Burgerbudgetten bieden hiervoor een veelbelovende oplossing: ze geven inwoners niet alleen een stem over financiële keuzes, maar creëren ook ruimte voor gemeenschapsinitiatieven en collectief beheer van hulpbronnen. Vanuit de visie van Commons Lab zijn burgerbudgetten een strategisch instrument om lokale commonspraktijken te versterken en duurzame collectieve waarde te genereren.

Een inspirerend voorbeeld is de vernieuwde burgerbegroting van Antwerpen. Door recente aanpassingen is de procedure beter afgestemd op diverse burgercollectieven en kleinschalige initiatieven. Informele buurtinitiatieven, culturele collectieven en duurzame projecten, die vaak buiten traditionele subsidiekanalen vallen, krijgen nu een reële kans op financiering. Zo worden lokale netwerken versterkt en wordt sociale cohesie bevorderd.

De Antwerpse procedure legt bovendien sterk de nadruk op co-creatie. Inwoners zijn niet alleen stemgerechtigd, maar kunnen ook actief meedenken via workshops en inspraakmomenten. Ze bepalen bovendien mee de procedures en afspraken die het proces structureren. Vrijwilligers worden ingezet als tafelbegeleiders om discussies te modereren en kennis te delen. Dit weerspiegelt het commonsprincipe van gedeeld beheer: de gemeenschap heeft zeggenschap over zowel de inhoud als het proces, in plaats van dat een centrale bureaucratie dit bepaalt.

Flexibiliteit in financiering is een ander cruciaal element. Projecten kunnen stapsgewijs ondersteund worden, en samenwerking tussen collectieven wordt actief gestimuleerd. Commonsinitiatieven zijn vaak dynamisch en evolueren tijdens hun uitvoering; een flexibele financiële structuur sluit hier beter bij aan dan een eenmalige subsidie.

Transparantie maakt het geheel compleet. Het proces is openbaar en inzichtelijk: burgers kunnen volgen welke projecten ingediend zijn, hoe beslissingen worden genomen en welke initiatieven financiering krijgen. Openheid en verantwoording zijn kernprincipes voor commons, omdat gedeeld beheer zonder inzicht snel inefficiënt of oneerlijk wordt.

De vernieuwde burgerbegroting van Antwerpen laat zien dat participatieve financiering veel meer kan zijn dan geld uitdelen. Het vormt een infrastructuur die lokale commons voedt, gemeenschapsprojecten versterkt en de collectieve capaciteit van burgers vergroot. Andere steden kunnen hier waardevolle lessen uit trekken: open de procedure voor diverse collectieven, maak participatie co-creatief, bied flexibele financiering, en zorg voor transparantie. Zo wordt publieke financiering niet alleen een middel om projecten te realiseren, maar een hefboom om gedeelde hulpbronnen en collectieve waarde duurzaam te creëren.

Kortom, burgerbudgetten zoals in Antwerpen tonen dat echte democratie en commonspraktijken hand in hand kunnen gaan. Ze laten zien dat wanneer burgers het stuur krijgen over middelen, processen en besluitvorming, lokale gemeenschappen niet alleen projecten realiseren, maar ook veerkrachtige en duurzame netwerken van gedeelde waarde opbouwen.

Zie www.burgerbegroting.be

EssayKoen Wynants
Burgers activeren via een commonsbenadering: van betrokkenheid naar mede-eigenaarschap

“Hoe krijgen we meer burgers betrokken?” Het is een vraag die vaak opduikt bij lokale initiatieven, verenigingen en overheden. Ze lijkt eenvoudig, maar legt een dieperliggend spanningsveld bloot. Betrokkenheid wordt nog al te vaak benaderd als iets dat georganiseerd wordt vóór mensen, eerder dan iets dat ontstaat vanuit mensen zelf.

Binnen Commons Lab vertrekken we vanuit een andere logica. Niet de vraag hoe we mensen kunnen laten deelnemen staat centraal, maar wel hoe we ruimte creëren voor mede-eigenaarschap. Want precies daar ligt het verschil tussen ‘oppervlakkige’ participatie en duurzame betrokkenheid.

Veel participatietrajecten botsen vandaag op gelijkaardige grenzen. Er worden inspraakavonden georganiseerd, enquêtes verspreid en workshops opgezet, maar de opkomst blijft beperkt of engagement ebt snel weg. Dat is zelden een kwestie van onwil. Het is vooral een kwestie van structuur.

Wanneer mensen het gevoel hebben dat de belangrijkste beslissingen al genomen zijn, dat hun inbreng vrijblijvend blijft, of dat hun rol zich beperkt tot “meepraten”, dan ontstaat er nauwelijks echte betrokkenheid. Mensen engageren zich pas wanneer ze ervaren dat hun bijdrage ertoe doet, dat ze impact hebben en dat ze mee verantwoordelijkheid dragen.

De commonsbenadering vertrekt daarom van een fundamenteel ander uitgangspunt: wie betrokken is, moet ook kunnen meebeslissen én meebeheren. Burgers zijn in dat perspectief geen deelnemers, maar mede-eigenaars. Ze worden mede-beslissers over richting en keuzes, en dragen mee verantwoordelijkheid voor het resultaat. Die verschuiving is ambitieus, maar net daardoor maakt ze betrokkenheid duurzaam.

In de praktijk zien we dat echte betrokkenheid steeds teruggrijpt naar een aantal essentiële voorwaarden. Eigenaarschap begint bij de start. Mensen moeten kunnen meedenken over wat het probleem is, wat men wil bereiken en hoe dat aangepakt wordt. Wie pas mag reageren op een uitgewerkt plan, zal zich zelden echt eigenaar voelen.

Daarnaast is beslissingsmacht cruciaal. Participatie zonder invloed blijft fragiel. Betrokkenheid groeit wanneer mensen weten dat hun stem telt, dat beslissingen samen genomen worden en dat die beslissingen ook reële gevolgen hebben. Dat vraagt heldere afspraken over rollen en verantwoordelijkheden.

Ook zichtbare impact speelt een sleutelrol. Engagement wordt tastbaar wanneer mensen concrete resultaten zien: een plek die anders wordt ingericht, een initiatief dat daadwerkelijk van start gaat, een beslissing die doorwerkt in het dagelijks leven. Kleine, zichtbare veranderingen maken het verschil.

Tegelijk zijn commons geen louter organisatorische modellen, maar sociale processen. Zorg voor de groep is daarom essentieel. Vertrouwen, ontmoeting en het omgaan met verschillen en conflicten vormen de basis van elk duurzaam initiatief. Zonder sterke onderlinge relaties blijft betrokkenheid broos.

Daarbij hoort ook een evenwicht tussen openheid en structuur. Initiatieven moeten toegankelijk zijn voor nieuwe mensen, maar tegelijk duidelijk in hun werking. Te veel openheid zonder afspraken leidt tot chaos; te veel structuur zonder ruimte sluit mensen uit. De uitdaging ligt in het combineren van duidelijke spelregels met de mogelijkheid om die samen vorm te geven.

Een van de grootste uitdagingen situeert zich bij de initiatiefnemers zelf. Projecten starten vaak met een kleine groep gedreven mensen. De reflex om te sturen, te bewaken en beslissingen te nemen is begrijpelijk. Maar wanneer die rol niet evolueert, blijft betrokkenheid beperkt.

In een commonsbenadering verschuift die rol fundamenteel: van trekken naar mogelijk maken. Initiatiefnemers worden facilitatoren, creëren ruimte in plaats van die in te vullen, en versterken anderen in plaats van alles zelf te doen. Dat vraagt vertrouwen, en vooral de bereidheid om controle los te laten.

Betrokkenheid is uiteindelijk geen methode die je eenvoudig kan toepassen. Het is een keuze. Een keuze om burgers niet te zien als gebruikers, maar als mede-beheerders. Die keuze beïnvloedt hoe processen worden ingericht, hoe beslissingen tot stand komen en hoe macht en verantwoordelijkheid verdeeld worden.

Wie burgers echt wil betrekken, moet dus verder durven gaan dan klassieke participatie. Het vraagt een verschuiving naar gedeeld eigenaarschap, gedeelde verantwoordelijkheid en gedeelde beslissingsmacht. Dat proces is niet altijd eenvoudig. Het is vaak trager, soms rommeliger en vraagt meer dialoog.

Maar de opbrengst is wezenlijk anders: initiatieven die gedragen worden, die standhouden en die mensen daadwerkelijk verbinden. Niet omdat ze mochten deelnemen, maar omdat het ook van hen is.

EssayKoen Wynants