Commons, de zachte revolutie #weekvandedemocratie

In de Week van de Democratie wordt ons opnieuw gevraagd na te denken over de toekomst van de democratie. Misschien moeten we daarvoor niet alleen kijken naar verkiezingen, instellingen en procedures, maar moeten we ook kijken naar de plekken waar mensen vandaag al samen hun samenleving vormgeven. Wat als we de democratie niet proberen te redden, maar haar opnieuw uitvinden?

Misschien begint dat niet in het parlement, maar op straat. Niet met een nieuwe partij, een groot manifest of een zoveelste participatietraject, maar met mensen die samen besluiten: dit gaan we zelf doen. Dat is wat commons zo bijzonder maakt. Mensen wachten niet tot iemand anders hun probleem oplost. Ze nemen samen verantwoordelijkheid voor een plek, een stuk groen, voedsel, energie, zorg, kennis of een gebouw. Ze worden niet alleen gebruiker, deelnemer of kiezer, ze zijn mede-eigenaar van wat er gebeurt. Daarin zit mijns inziens een zachte revolutie.

Democratie is immers zoveel meer dan om de paar jaar een bolletje kleuren. Het is ook leren luisteren, verschillen verdragen, afspraken maken, verantwoordelijkheid opnemen en samen iets beheren. Commons zijn plekken waar je dat opnieuw kunt oefenen. Niet als theorie, maar in het echte leven.

Op 4 oktober 2026, tijdens de Open Commons Dag, maken we dat zichtbaar. Commons initiatieven in heel Vlaanderen openen hun deuren en tonen hoe mensen samen groen beheren, voedsel produceren, energie delen, voor elkaar zorgen, kennis delen of plekken een nieuwe bestemming geven. Het zijn misschien kleine initiatieven, samen vertellen ze een groot verhaal.

Een transitie begint vaak als een zaadje. Iemand probeert iets uit. Een kleine groep sluit aan. Er ontstaat vertrouwen. Er komen afspraken. Het initiatief kiemt. Het groeit. Het krijgt wortels en begint te bloeien. En wanneer verschillende initiatieven elkaar vinden, ontstaat kruisbestuiving. Zo kan ook een commons-transitie groeien: niet vanuit één centrum, maar vanuit duizenden plekken waar mensen experimenteren met een andere manier van samenleven.

De utopie is niet dat iedereen het plots met elkaar eens is. De utopie is dat we opnieuw leren omgaan met verschil, afhankelijkheid en verantwoordelijkheid. Dat we onszelf niet langer alleen zien als individuen die hun eigen belangen verdedigen, maar ook als mensen die samen iets te maken en te beheren hebben. Misschien is dát de democratie die we opnieuw moeten leren.

De revolutie hoeft daarvoor niet luid te zijn. Ze hoeft niets omver te werpen. Ze kan beginnen met een buurttuin, een voedselcollectief, een gedeelde werkplek, een zorginitiatief, een coöperatie of een kerk die opnieuw een plek voor de buurt wordt. Duizenden zaadjes. Duizenden kleine experimenten. Duizenden plekken waar mensen zeggen: dit gaan we samen doen.

Wie weet groeit daaruit iets wat groter is dan de som van de delen. Een democratie die niet alleen van bovenaf wordt georganiseerd, maar van onderuit wordt beleefd. Misschien is de Week van de Democratie daarom niet alleen een moment om te praten over democratie. Misschien is het vooral een uitnodiging om haar opnieuw vorm te geven, als een zachte revolutie van mensen die opnieuw samen eigenaar worden van hun toekomst.

EssayKoen Wynants
Wij maken de wereld

Bron: https://www.reuskens.be/vriendenboek/fatima-chams-en-fmv

Het debat over de hoofddoek zit opnieuw muurvast. Voor de één gaat het over neutraliteit, voor de ander over vrijheid. Voor de één over aanpassen, voor de ander over uitsluiting. Ondertussen wordt het schijnbaar steeds moeilijker elkaar te horen. Misschien is dat wel de vraag onder dit debat: hoe kunnen we samenleven wanneer we het fundamenteel oneens zijn? Verschillen verdwijnen immers niet. Onze samenleving wordt niet minder divers door er harder tegen in te gaan. Wie verlangt naar meer samenhang, zal moeten erkennen dat we vandaag met elkaar samenleven vanuit verschillende overtuigingen, achtergronden en ervaringen. Dat is geen probleem dat we ooit helemaal zullen oplossen. Het is iets waarmee we moeten leren leven. Het is de realiteit.

Aanpassen aan wat?

“Wie hier woont, moet zich aanpassen.” Ergens logisch. Een samenleving vraagt om gedeelde regels. We kunnen niet samenleven zonder afspraken over wat wel en niet kan. Gelijkheid, vrijheid, democratie en respect voor anderen zijn geen vrijblijvende waarden. De vraag is echter: wat bedoelen we precies met aanpassen? Aanpassen aan onze wetten en democratische spelregels? Of betekent het dat iemand een zichtbaar deel van zijn of haar identiteit moet verbergen om er helemaal bij te horen? Laat ons eens van daaruit vertrekken. Wie bepaalt eigenlijk wat normaal is? Wat neutraal is? Wat bij “ons” hoort? Wat voor de één vanzelfsprekend is, is dat voor de ander helemaal niet. Dat betekent niet dat elke regel op zich verkeerd is. Het betekent wel dat we soms bereid moeten zijn om onze eigen vanzelfsprekendheden opnieuw te bekijken. Samenleven noopt ons tot zelfreflectie.

Gelijkwaardig, zonder gelijk te hoeven zijn

We zeggen graag: iedereen is gelijk. Dat is een belangrijk uitgangspunt. Maar gelijkwaardig zijn betekent niet dat we allemaal hetzelfde moeten worden. Een samenleving waarin iedereen dezelfde overtuigingen, dezelfde kleding en dezelfde manier van leven heeft, zou misschien overzichtelijker zijn. Is dat dan wat we willen? Het vraagstuk begint wanneer we elkaar ontmoeten terwijl we het niet eens zijn. Dan hebben we niet alleen regels nodig. We hebben respect nodig. Respect betekent niet dat we elkaars overtuigingen moeten delen. Je kunt kritisch zijn over een religie. Je kunt vragen hebben bij de hoofddoek. Je kunt vinden dat publieke instellingen een bepaalde neutraliteit moeten bewaken. Maar je kunt dat allemaal vinden en tegelijk zeggen: jij bent mijn medeburger en ik erken jouw plaats in deze samenleving. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend. Toch is het dat vandaag niet altijd meer.

Vertrouwen

Misschien hebben we naast respect nog iets anders nodig: vertrouwen. Vertrouwen dat de ander, ondanks zijn andere overtuigingen, ook wil bijdragen aan de samenleving. Vertrouwen dat regels eerlijk worden toegepast. Vertrouwen dat je je zorgen kan uitspreken zonder onmiddellijk als racist, extremist of “woke” te worden weggezet. Vertrouwen dat je kunt vertellen dat je je uitgesloten voelt zonder dat anderen je meteen als slachtoffer of tegenstander beschouwen. Maar vertrouwen is kwetsbaar. Als we elkaar voortdurend vertellen dat de ander een bedreiging is, groeit er geen vertrouwen. Als mensen het gevoel krijgen dat ze eerst een deel van zichzelf moeten verbergen om erbij te horen, groeit er geen vertrouwen. En als elke kritiek onmiddellijk wordt gezien als vijandigheid, groeit het evenmin. Vertrouwen ontstaat niet door elkaar te overtuigen. Het ontstaat door ervaringen. Door afspraken te maken en ze na te komen. Door naar elkaar te luisteren en te merken dat er ook werkelijk geluisterd wordt. Door ruimte te maken voor verschil en tegelijk duidelijk te zijn over grenzen. Door samen dingen te doen. Door een conflict niet te laten eindigen in een breuk, maar opnieuw het gesprek te zoeken.

We moeten het ongemak leren verdragen

Misschien verwachten we vandaag te veel van gesprekken. We gaan een gesprek aan met de hoop dat de ander ons begrijpt, liefst onze argumenten overneemt en uiteindelijk tot dezelfde conclusie komt. Maar misschien is dat niet wat een goed gesprek hoeft op te leveren. Soms is het waardevoller wanneer we na afloop beter begrijpen waarom onze gesprekspartner zaken anders bekijkt dan wij. We hoeven het ongemak van verschil niet onmiddellijk weg te nemen. We kunnen het ook even uithouden. Luisteren naar iemand met wie we het moeilijk hebben. Een stilte laten vallen. Niet onmiddellijk reageren. Nieuwsgierig blijven naar wat we nog niet begrijpen. Daar zit geen zwakte in. Het is een vorm van maatschappelijke zorg. En misschien is dat ook wat ons vandaag ontbreekt: niet nog meer meningen, maar opnieuw de ruimte om de ander werkelijk te ontmoeten.

Dat is misschien wat we van de commons kunnen leren

Bij Commons Lab kijken we naar een common niet als een plek zonder conflict. Integendeel.Waar mensen samen iets beheren, ontstaan bijna onvermijdelijk verschillen van mening, belangenconflicten en spanningen. Het verschil zit niet in het ontbreken van conflict. Het verschil zit in wat je ermee doet. Een common ontstaat wanneer verschillende mensen erin slagen hun verschillen te organiseren rond iets wat ze delen. Dat vraagt geen blind vertrouwen vooraf. Vertrouwen kan juist groeien door samen verantwoordelijkheid te nemen. Een afspraak maken. Ze uitproberen. Ervaren wat werkt en wat niet. Erover praten wanneer het misloopt. Bijsturen. Opnieuw proberen. Zo groeit langzaam het gevoel: we kunnen van mening verschillen en toch samen verder. Misschien werkt dat ook op het niveau van de samenleving.

Niet winnen, maar opnieuw beginnen

We zijn de voorbije jaren steeds beter geworden in het vinden van onze tegenstanders. We weten wie “de ander” is. De migrant. De woke activist. De conservatief. De moslim. De nationalist. De elite. De boze burger. Maar zodra mensen vooral nog elkaars vertegenwoordiger van een kamp zien, wordt samenleven bijzonder moeilijk. Misschien moeten we daarom opnieuw beginnen met iets eenvoudigs. Niet met de vraag: Wie heeft gelijk? Maar: Wat delen we nog? De behoefte aan veiligheid. Aan vrijheid. Aan waardigheid. Aan een toekomst voor onze kinderen. Aan een overheid die eerlijk handelt. Aan een buurt waarin mensen elkaar kunnen vertrouwen. Daar ligt misschien meer gemeenschappelijke grond dan we denken. Van daaruit kunnen we opnieuw afspraken maken. Niet noodzakelijk perfecte afspraken. Wel afspraken die eerlijk genoeg zijn om te proberen, en open genoeg om opnieuw te bekijken.

Samen eigenaar

Een samenleving is uiteindelijk geen hotel waar sommige mensen de regels bepalen en anderen zich moeten aanpassen. Maar het is ook geen plek waar iedereen alleen zijn eigen waarheid kan volgen. We zijn samen eigenaar. Dat betekent dat ook de meerderheid verantwoordelijkheid draagt voor de samenleving die ze maakt. En dat ook minderheden verantwoordelijkheid dragen voor het geheel. Dat gedeeld burgerschap vraagt meer dan het respecteren van elkaars rechten. Het vraagt ook dat we elkaar blijven uitnodigen om verantwoordelijkheid op te nemen voor het geheel. Niet alleen vragen: wat krijg ik van deze samenleving? Maar ook: wat draag ik eraan bij? Dat is misschien een belangrijk gesprek dat we opnieuw moeten voeren. Niet vanuit wantrouwen, maar vanuit de verwachting dat iedereen iets kan bijdragen. Het betekent dat we elkaar mogen aanspreken. Dat we grenzen mogen stellen. Dat we van mening mogen verschillen. Maar ook dat we elkaar niet voortdurend hoeven te behandelen als een bedreiging.

Opnieuw vertrouwen opbouwen

Net dat is vandaag onze grootste uitdaging. Niet leren hoe we iedereen hetzelfde kunnen maken. Niet leren hoe we het conflict kunnen winnen. Maar opnieuw leren hoe we respect en vertrouwen kunnen opbouwen tussen mensen die verschillend zijn. Dat zal niet gebeuren door één debat, één wet of één opiniestuk. Vertrouwen groeit langzaam. In scholen waar kinderen elkaar leren kennen. In buurten waar mensen samen dingen doen. In organisaties waar conflicten bespreekbaar zijn. In publieke ruimtes waar verschil zichtbaar mag zijn én waar duidelijke grenzen gelden. Daar begint gemeenschappelijkheid. Niet wanneer we het eindelijk allemaal eens zijn, maar wanneer we opnieuw ervaren: we verschillen van elkaar, en toch kunnen we samen iets maken. Dat vraagt misschien dat we opnieuw wat meer verwondering toelaten voor de ander. Niet meteen invullen wie iemand is, maar nieuwsgierig blijven naar het verhaal dat achter een overtuiging zit. Daar begint luisteren. En soms begint daar ook iets wat we bijna kwijt lijken te zijn: het vermogen om elkaar opnieuw als mens te zien. Dat is misschien wel de meest wezenlijke les van de commons.

We hoeven het niet eens te zijn om samen te leven, maar moeten elkaar wel blijven zien als mensen met wie we samen deze wereld maken. People have the power.

Koen Wynants
Over wachten, verwondering en commoning op Amandus 2060

Gisteren organiseerden we in de Sint-Amanduskerk een lezing van Dirk De Wachter over wachten als levenshouding. Terwijl ik luisterde, moest ik steeds meer aan Amandus 2060 denken, het commonsexperiment waarbij ik zelf betrokken ben, zowel vanuit mijn persoonlijk alsook mijn professioneel engagement.

Niet alleen aan wachten, maar ook aan wat De Wachter vertelde over verwondering voor het andere, voor de andere. En misschien nog meer aan de zorg die daarin besloten ligt: aandacht hebben voor wat en wie voor je staat, zonder onmiddellijk te oordelen of in te vullen. Misschien raken die drie houdingen — wachten, verwonderen en zorgen — aan de kern van wat wij bij Commons Lab proberen te doen.

We leven in een tijd waarin we snel moeten weten. Snel een mening vormen, snel reageren, snel beslissen. Ook wanneer mensen met elkaar botsen, zoeken we vaak onmiddellijk naar posities: wie heeft gelijk, wie zit fout? Commoning vraagt iets anders.

Het vraagt dat we soms even wachten. Dat we niet onmiddellijk invullen wie de ander is. Dat we luisteren voordat we oordelen. Dat we kunnen verdragen dat we elkaar nog niet helemaal begrijpen.

En dat we ondertussen zorg dragen voor de relatie.


Amandus als plek van verschil

Dat is op de Amandussite bijzonder relevant.

De kerk staat midden in een superdiverse buurt. Verschillende generaties, talen, religies, levensverhalen en wereldbeelden komen er samen. Mensen die de plek al tientallen jaren kennen, ontmoeten er mensen die er pas net hun weg zoeken. Mensen met verschillende ideeën over wat de kerk betekent en wat ze zou kunnen worden.

Dat verschil is geen probleem dat we eerst moeten oplossen. Het is het vertrekpunt.

Als Commons Lab proberen we Amandus niet van bovenaf een nieuwe bestemming te geven. We willen de plek ontwikkelen als een common: een ruimte waarin mensen niet alleen mogen deelnemen, maar waarin ze mee vormgeven, mee beslissen en mee verantwoordelijkheid opnemen.

Dat betekent ook dat we niet vooraf precies weten wat Amandus moet worden. We experimenteren samen een toekomst.

Verwondering als commons-houding

Daarvoor is verwondering nodig. Niet alleen: ik verdraag dat jij anders bent. Maar: wat kan ik leren van het feit dat jij anders bent dan ik? De ander is dan geen doelgroep, geen probleem of vertegenwoordiger van een bepaalde groep. De ander wordt iemand die mijn eigen blik kan veranderen. Dat vraagt nederigheid.

Ook wij als Commons Lab moeten opletten dat we niet te snel denken te weten wat goed is voor een buurt, een gemeenschap of een plek. Zelfs met de beste bedoelingen kunnen we anderen uitnodigen in een verhaal dat we zelf al geschreven hebben. Een echte commoningpraktijk vraagt daarom dat we bereid zijn ons eigen verhaal te laten veranderen door de ontmoeting. En dat we zorg dragen voor die ontmoeting.

Zorg vraagt tijd

Zorg is misschien wel het meest onderschatte onderdeel van maatschappelijke verandering. Zorgen betekent aandacht geven. Aan mensen, aan relaties, aan een plek, aan natuur. Het betekent merken wanneer iemand niet meer mee is. Een conflict niet onmiddellijk afschrijven. Een ruimte onderhouden. Opnieuw contact zoeken. Tijd maken voor iemand die niet vanzelfsprekend aan het woord komt. Dat is niet spectaculair. Het levert niet altijd onmiddellijk resultaat op. Maar zonder die zorg groeit er geen gemeenschap. Een common is immers niet alleen een gedeeld stuk grond, een gebouw of een project. Het is een voortdurend proces van zorgen voor wat we samen delen.

Wachten is niet niets doen

Ook wachten betekent niet passief blijven. De Wachter spreekt over een waakzaam wachten: ruimte maken voor overleg, twijfel en aandacht, om vervolgens op het juiste moment te handelen. Dat herkennen we op Amandus. We planten, bouwen, organiseren, ontmoeten, experimenteren. Tegelijk laten we ruimte voor wat nog moet ontstaan. Een common kun je immers niet volledig ontwerpen. Je kunt voorwaarden creëren. Mensen samenbrengen. Zorg opnemen. Ruimte geven. Dingen uitproberen. Maar vertrouwen, verbondenheid en mede-eigenaarschap groeien langzaam. Zoals natuur. Zoals een gemeenschap.

Amandus hoeft nog niet af te zijn

Misschien is dat wel de kracht van deze plek. Amandus is geen afgewerkt project. Het is een plek in wording. Een plek waar natuur, erfgoed, buurt, cultuur en gemeenschap elkaar kunnen beïnvloeden. Waar verschillende mensen niet hetzelfde moeten denken om samen verantwoordelijkheid te kunnen opnemen.

Dat vraagt tijd. En het vraagt de moed om het nog niet allemaal te weten. Misschien is dat uiteindelijk wat commoning betekent: samen ruimte maken voor iets wat nog niet bestaat — en er ondertussen zorg voor dragen. Niet door verschillen weg te werken, maar door ermee te leren leven. Niet door onmiddellijk consensus te zoeken, maar door nieuwsgierig te blijven. Niet door alles vooraf te plannen, maar door samen te experimenteren en te leren.

Elkaar niet begrijpen, en toch voor elkaar zorgen

Misschien is dat de rol die Amandus 2060 kan spelen in Antwerpen-Noord. Niet alleen een kerk met een nieuwe bestemming. Niet alleen een gebouw dat gedeeld wordt. Maar een ‘commons lab’ voor samenleven.

Een plek waar we kunnen oefenen in iets wat onze samenleving steeds moeilijker lijkt te vinden: samenleven met mensen die anders zijn dan wij. Waar we kunnen wachten voordat we oordelen. Waar we ons kunnen verwonderen voordat we categoriseren. Waar we kunnen luisteren zonder onmiddellijk te willen overtuigen. Waar we zorg dragen voor elkaar, ook wanneer we het niet eens zijn. En waar we, ondanks onze verschillen, toch samen iets kunnen maken. Want misschien begint een common niet wanneer we elkaar begrijpen. Misschien begint ze wanneer we nieuwsgierig genoeg zijn om elkaar nog niet te begrijpen — en zorgzaam genoeg om toch samen te blijven.

Koen Wynants
De NAVO heeft artikel 5. Wanneer krijgt de aarde een artikel 5? Waarom de 21e eeuw nood heeft aan een wereldcommonsorde

De wereld maakt zich opnieuw klaar voor een tijdperk van onzekerheid. Regeringen verhogen defensiebudgetten. Miljarden vloeien naar nieuwe wapensystemen. Legers worden versterkt. De boodschap is duidelijk: veiligheid moet opnieuw centraal staan. En terecht. Een wereld zonder vrede en internationale rechtsregels is geen wereld waarin samenlevingen kunnen bloeien. Maar tegelijk voltrekt zich een andere veiligheidscrisis die zich niet laat tegenhouden door grenzen, legers of militaire macht.

De klimaatcrisis.

Deze zomer zien we opnieuw de signalen: extreme hitte, dodelijke temperaturen, verwoestende bosbranden, droogte en ecosystemen die steeds verder onder druk komen te staan. Toch behandelen we deze crisis nog steeds alsof ze behoort tot een apart beleidsdomein: het "milieu". Dat is een historische vergissing. De klimaatcrisis is geen milieuprobleem naast andere problemen. Ze raakt aan de fundamenten van onze veiligheid: voedsel, water, gezondheid, economie en maatschappelijke stabiliteit. De vraag van deze eeuw is daarom niet alleen hoe we ons beschermen tegen elkaar. De vraag is hoe we samen zorgen voor het systeem waarvan we allemaal afhankelijk zijn.

Onze veiligheidsinstituties stammen uit de vorige eeuw

Na twee wereldoorlogen bouwde de wereld instituties om vrede en veiligheid tussen staten te organiseren. De NAVO. De Verenigde Naties. De Europese samenwerking. Ze vertrokken vanuit een revolutionair inzicht: sommige bedreigingen zijn te groot om alleen te beantwoorden. Veiligheid ontstaat door samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheid. Maar de grote bedreigingen van vandaag passen steeds minder binnen nationale grenzen. Een virus houdt geen rekening met paspoorten. Een bosbrand stopt niet aan een grensovergang. Een veranderend klimaat vraagt geen toestemming aan regeringen. De problemen zijn mondiaal geworden, maar onze antwoorden zijn nog grotendeels nationaal georganiseerd. Daar zit de grote institutionele uitdaging van de 21e eeuw.

De aarde is de grootste common die we delen

Vanuit het commonsdenken is de klimaatcrisis in essentie een crisis van gedeeld beheer. Een common is iets waarvan iedereen afhankelijk is, maar dat niemand alleen kan beheren. Water. Lucht. Oceanen. Biodiversiteit. Een stabiel klimaat. Deze systemen zijn niet van niemand. Ze zijn van ons allemaal. Maar precies daarom kunnen ze niet behandeld worden als gewone economische goederen. We hebben de atmosfeer gebruikt als gratis afvalruimte. Bossen als grondstoffenvoorraad. Open ruimte als bouwreserve. Natuur als iets dat beschikbaar is zolang de marktwaarde beperkt blijft. Maar de aarde is geen bezit. Ze is de basisvoorwaarde voor al ons bezit.

Van collectieve verdediging naar collectieve zorg

De NAVO is gebaseerd op een krachtig principe: een aanval op één lidstaat wordt beschouwd als een bedreiging voor allen. Waarom bestaat er geen gelijkaardig principe voor de bescherming van onze planetaire commons? Wat als we zouden erkennen dat de vernietiging van ecosystemen, de destabilisering van het klimaat en het verlies van biodiversiteit geen problemen van afzonderlijke landen zijn, maar bedreigingen voor iedereen? Dan ontstaat een ander perspectief. Een wereldcommonsorde. Geen wereldregering. Geen utopie. Maar een nieuwe laag van internationale samenwerking waarin landen, steden, burgers en gemeenschappen samen verantwoordelijkheid opnemen voor de systemen die ons leven mogelijk maken.

Een wereldcommonsorde zou investeren in:

  • klimaatadaptatie in kwetsbare regio's;

  • herstel van bossen, oceanen en biodiversiteit;

  • gedeelde kennis en technologie;

  • fossielvrije energie;

  • waterveiligheid;

  • klimaatbestendige steden.

Niet als liefdadigheid. Maar als collectieve veiligheid.

De grootste uitdaging: politiek die nog gevangen zit in de oude logica

Natuurlijk rijst de vraag: wie gaat zo'n wereldcommonsorde organiseren? De huidige internationale politiek is nog sterk gebaseerd op nationale belangen, economische concurrentie en geopolitieke macht. Staten zullen niet vanzelf hun verantwoordelijkheid opnemen. Geschiedenis leert echter dat grote maatschappelijke veranderingen zelden beginnen in regeringsgebouwen.

Ze beginnen vaak bij mensen die nieuwe praktijken ontwikkelen. De arbeidersbeweging bouwde organisaties lang voor sociale rechten wettelijk werden verankerd. De milieubeweging creëerde bewustzijn lang voor klimaatbeleid politieke prioriteit werd. Coöperaties bewezen dat economie ook anders georganiseerd kan worden. Ook een wereldcommonsorde zal waarschijnlijk niet plots worden aangekondigd op een internationale top. Ze zal moeten groeien.

Van lokale commons naar mondiale verandering

Een wereldcommonsorde begint misschien niet in Genève of New York. Ze begint in buurten. In steden. In gemeenschappen. Elke energiecoöperatie waarin burgers samen eigenaar worden van de energietransitie. Elke buurt die samen onthardt en vergroent. Elke gemeenschap die water niet langer als afvalstroom maar als gedeelde hulpbron beheert. Elke boer en burger die samen werkt aan een ander voedselsysteem. Het zijn geen kleine uitzonderingen. Het zijn oefenplaatsen voor een andere manier van samenleven. Ze tonen dat burgers niet alleen consumenten of kiezers zijn. Ze kunnen ook mede-beheerders zijn van hun leefomgeving.

Vlaanderen als proeftuin

Ook Vlaanderen kan hierin een rol spelen. Niet door de wereldcommonsorde uit te roepen. Wel door te tonen hoe ze eruit kan zien. Door buurten te ondersteunen die zelf klimaatoplossingen ontwikkelen. Door energie, voedsel, water en natuur opnieuw als gedeelde verantwoordelijkheden te organiseren. Door nieuwe vormen van samenwerking tussen burgers, overheden, onderzoekers en organisaties mogelijk te maken. Dat is precies waar middenveldorganisaties zoals Commons Lab een rol spelen.

Niet door te wachten op de grote internationale verandering. Maar door vandaag al te oefenen in de principes waarop ze gebaseerd zal zijn:

  • gedeeld eigenaarschap.

  • democratische besluitvorming.

  • zorg voor de leefomgeving.

  • samen leren en experimenteren.

De strategische keuze van deze eeuw

De discussie van vandaag wordt vaak verkeerd voorgesteld. Alsof we moeten kiezen tussen veiligheid en klimaat. Maar dat is een vals dilemma. Geen leger kan een hittegolf stoppen. Geen raket kan een rivier herstellen. Geen tank kan biodiversiteit terugbrengen. De echte strategische keuze is welke wereldorde we willen bouwen. Een wereld waarin landen vooral concurreren om macht, grondstoffen en veiligheid? Of een wereld waarin landen ook leren samenwerken rond wat ons allemaal draagt? De twintigste eeuw bouwde een internationale veiligheidsorde. De eenentwintigste eeuw moet een wereldcommonsorde bouwen. Misschien krijgt de aarde nooit letterlijk een artikel 5. Maar misschien moeten we wel handelen alsof dat zo is. Want een aanval op onze planetaire commons is uiteindelijk een bedreiging voor ons allemaal.

De wereldcommonsorde zal niet worden uitgevonden door één leider, één verdrag of één instelling. Ze zal groeien uit miljoenen mensen die vandaag al leren hoe we samen zorg kunnen dragen voor wat van ons allemaal is. De toekomst van de aarde zal niet alleen worden bepaald door de machtigen. Maar door iedereen die verantwoordelijkheid neemt voor het gemeenschappelijke huis waarin we leven.

OpinieKoen Wynants
Wat circuscollectief 'Cul de bas' ons leerde over commons en collectieve verantwoordelijkheid

Soms zit de grootste opbrengst van een activiteit niet in wat er gebeurt tijdens de activiteit zelf, maar in de vragen die ze achteraf oproept.

Dit voorjaar kregen we een vraag van een opstartend circuscollectief (‘Cul de bas’), of ze de Amanduskerk mochten gebruiken voor een experimenteel zomers circusfestival. De voorbereiding bracht ons onverwacht bij een vraag die veel verder reikt dan circus alleen: hoe organiseren we verantwoordelijkheid en risico’s wanneer mensen zich spontaan willen verenigen?

Dat die vraag precies tijdens een circusproject op tafel kwam, is eigenlijk niet zo verrassend. In hedendaags circus draait alles rond onderlinge afhankelijkheid. Acrobatie, bascule en partnerwerk vereisen een extreem niveau van vertrouwen, aandacht en collectieve verantwoordelijkheid. Je veiligheid ligt letterlijk in de handen van anderen. Samenwerking is hier geen abstract ideaal, maar een dagelijkse praktijk.

Circuscollectieven delen bovendien veel meer dan een podium. Ze delen repetitieruimtes, materiaal, technische kennis, netwerken en artistieke processen. Kennis ontstaat niet individueel, maar collectief: door samen te trainen, te experimenteren en elkaar voortdurend te ondersteunen. Je zou kunnen zeggen dat het een vorm is van embodied commons: een commons van lichamen, vaardigheden, ritme, zorg en wederzijds vertrouwen.

Juist daarom vonden we deze samenwerking zo interessant, ook voor Commons Lab. Niet omdat een circuscollectief noodzakelijk een perfect commonsmodel is, maar omdat het zichtbaar maakt hoe gemeenschappelijkheid ontstaat. Hoe vertrouwen wordt opgebouwd. Hoe collectieve intelligentie groeit. En hoe verantwoordelijkheid nooit uitsluitend individueel is.

Zowel vanuit burgercollectief Amandus 2060 als Commons Lab wilden we het jonge burgercollectief zoveel mogelijk ontzorgen. Al snel kwamen we terecht bij vragen over aansprakelijkheid en verzekering. Wie is verantwoordelijk wanneer er iets misloopt? Welke verzekering is van toepassing? En hoe verzeker je een tijdelijk, informeel burgerinitiatief dat geen klassieke vereniging of professionele organisatie is?

We gingen op zoek naar een passende oplossing. Een verzekeringsmaatschappij werkte een voorstel uit, maar dat kwam uiteindelijk te laat om nog bruikbaar te zijn. Bovendien werd duidelijk dat het niet eenvoudig is om een verzekering te vinden die aansluit bij dit soort tijdelijke en collectieve initiatieven.

Uiteindelijk bleek dat slechts enkele individuele circusartiesten geen familiale verzekering hadden. We hebben hen open geïnformeerd over de situatie. Zij konden vervolgens zelf beslissen of ze, met kennis van de mogelijke risico's, wilden deelnemen aan de circusact. De workshop verliep gelukkig zonder incidenten.

Toch bleef één vraag hangen.

Misschien is het probleem niet dat burgercollectieven moeilijk te verzekeren zijn. Misschien is het probleem dat onze bestaande systemen vooral gebouwd zijn voor individuen, verenigingen en professionele organisaties. Voor jonge mensen die zich tijdelijk organiseren rond een maatschappelijk initiatief bestaat er nauwelijks een passend institutioneel kader.

Dat is geen louter technische kwestie. Het raakt aan de kern van wat commons zijn.

Commons gaan immers niet alleen over het delen van ruimte, kennis of middelen. Ze gaan ook over het gezamenlijk organiseren van verantwoordelijkheid. Hoe kunnen we de risico's van samenwerken collectief dragen, zonder dat elk initiatief zich eerst moet omvormen tot een formele organisatie?

Misschien kunnen we daarvoor inspiratie vinden in een heel andere sector: Community Supported Agriculture (CSA). Binnen CSA engageren burgers zich niet alleen om lokale landbouw te ondersteunen, maar ook om de onzekerheden van het landbouwproces mee te dragen. Wanneer een oogst tegenvalt, wordt het risico niet volledig afgewenteld op de boer. De gemeenschap deelt mee in de verantwoordelijkheid.

Zou een gelijkaardige logica ook denkbaar zijn voor burgercollectieven? Niet om veiligheid of aansprakelijkheid te negeren, maar om na te denken over nieuwe vormen van collectieve zorg. Kunnen we werken met een gedeeld solidariteitsfonds? Een commonsverzekering? Een onderlinge waarborgstructuur die tijdelijke burgerinitiatieven ondersteunt?

Eigenlijk is dat idee minder nieuw dan het lijkt. Ook verzekeringen zijn historisch ontstaan vanuit onderlinge solidariteit. Gilden, mutualiteiten en onderlinge waarborgmaatschappijen waren manieren waarop mensen risico's samen organiseerden, lang voordat commerciële verzekeringen die rol overnamen.

Misschien is het tijd om die traditie opnieuw te bekijken, aangepast aan de uitdagingen van vandaag.

Voor Commons Lab voelt deze ervaring daarom niet als een afgesloten hoofdstuk, maar als het begin van een nieuwe onderzoeksvraag. Als we burgers willen aanmoedigen om samen initiatief te nemen, dan moeten we misschien ook nieuwe institutionele vormen ontwikkelen die dat mogelijk maken.

Want een sterke common ontstaat niet alleen doordat mensen bereid zijn om samen te werken. Ze ontstaat ook doordat de samenleving structuren ontwikkelt die die samenwerking mogelijk maken.

Commons Lab ondersteunt het nieuwe burgercollectief Amandus 2060 bij de ontwikkeling en beheer van de Sint-Amanduskerk als een common. De Sint-Amanduskerk is sinds 2 jaar ook de thuisbasis van Commons Lab.

Website circuscollectief: Cul de Bas Productions

OPINIE: Open water is van iedereen. De verantwoordelijkheid ook

Schotense vaart als gemeengoed

De Vlaamse Regering presenteert de nieuwe regels rond openwaterzwemmen als een overwinning voor de vrijheid. Vanaf 2027 wordt zwemmen in open water in principe overal mogelijk, tenzij een verbod geldt. Dat is op het eerste gezicht een positieve evolutie. Onze rivieren, meren en plassen worden meer toegankelijk als plekken voor ontspanning, ontmoeting en beweging.

Maar de manier waarop deze vrijheid wordt georganiseerd, verdient meer debat. Want tegelijk klinkt de boodschap: buiten erkende zwemzones zwem je op eigen risico. De overheid opent de deur, maar legt de verantwoordelijkheid voor wat er achter die deur gebeurt grotendeels bij de individuele burger. Zo dreigt een publieke ruimte die we samen delen, te worden herleid tot een individuele keuze met individuele gevolgen.

Daarmee missen we een belangrijke kans. Water is immers nooit alleen een plek om te zwemmen. Onze waterlopen en waterpartijen zijn levende ecosystemen, bronnen van biodiversiteit, buffers tegen klimaatverandering en plaatsen waar mensen elkaar ontmoeten. Ze zijn geen product dat we consumeren, maar een gemeenschappelijk goed waar we samen zorg voor dragen.

Een andere benadering vertrekt vanuit gedeelde verantwoordelijkheid. De centrale vraag is dan niet: "Wie draagt de schuld als het fout loopt?" maar: "Hoe organiseren we samen de voorwaarden zodat iedereen veilig en duurzaam gebruik kan maken van water?"

Dat vraagt om een andere manier van beleid maken. De overheid moet niet alles controleren, maar wel haar verantwoordelijkheid opnemen: zorgen voor betrouwbare informatie over waterkwaliteit en risico’s, kennis delen, monitoring organiseren en een duidelijk kader creëren waarin lokaal initiatief kan groeien. Waterbeheerders en terreinbeheerders kennen de kwetsbaarheden van hun gebieden en moeten betrokken worden bij het beheer. Lokale gemeenschappen kunnen mee zorg dragen voor hun omgeving. En gebruikers worden niet gezien als passieve consumenten, maar als mede-verantwoordelijke partners.

Dat die bereidheid tot gedeelde verantwoordelijkheid bestaat, bewijzen talrijke lokale initiatieven. Aan de Schotense Vaart bijvoorbeeld werken bewoners en organisaties samen rond de vraag hoe de vaart en haar oevers opnieuw een plek van ontmoeting, natuurbeleving en gedeeld gebruik kunnen worden. In plaats van te wachten tot een overheid een oplossing uitwerkt, brengen mensen zelf kennis, engagement en zorg samen. Het traject rond "De Vaart(kant) als gemeengoed", met betrokkenheid van onder meer Waterland, Commons Lab en lokale partners, toont dat burgers niet alleen gebruikers van water willen zijn, maar ook beheerders en beschermers ervan.

Zo’n aanpak gaat ook verder dan veiligheid alleen. Een rivier of meer dat veilig toegankelijk is voor mensen, moet tegelijk ook leefbaar blijven voor planten en dieren. Waterkwaliteit, ecologie, recreatie en klimaatbestendigheid zijn geen aparte thema’s, maar verschillende kanten van dezelfde uitdaging. Wie mensen opnieuw verbindt met water, vergroot ook het draagvlak om dat water te beschermen.

Dit is geen pleidooi voor meer betutteling of meer regels. Het is een pleidooi voor een andere verhouding tussen overheid en samenleving. Een overheid die niet zegt: "Je mag dit doen, maar trek je plan." Wel een overheid die zegt: "Dit is van ons allemaal, dus we zorgen er ook samen voor."

De toekomst van onze wateromgeving vraagt precies dat: niet minder overheid, maar een andere overheid. Niet minder vrijheid, maar vrijheid die gedragen wordt door zorg en betrokkenheid. De overheid hoeft niet alles zelf te doen, maar moet wel ruimte maken voor zij die verantwoordelijkheid willen opnemen.

Daarom pleiten wij voor een nieuw kader voor openwaterrecreatie: maak van elke toegankelijke zwemlocatie een gedeelde waterplek. Een plek waar overheid, waterbeheerders, lokale besturen, natuurorganisaties en gebruikers samen afspraken maken over veiligheid, waterkwaliteit, ecologie en zorg. Geen versnipperde verantwoordelijkheden, maar een gedeeld engagement.

Laat Vlaanderen niet alleen de toegang tot water verruimen, maar ook de voorwaarden creëren om er samen zorg voor te dragen. Want de gemeenschappen die hiervoor verantwoordelijkheid willen opnemen, bestaan al. Het beleid moet ze niet vervangen, maar erkennen, ondersteunen en versterken.

Open water is van iedereen. De verantwoordelijkheid ook.

Samen werken aan groene commons in Borgerhout – Veel enthousiasme tijdens de startmomenten ‘In nature’

De startmomenten van ons InNature-project in Borgerhout waren bijzonder inspirerende bijeenkomsten, gekenmerkt door warme ontmoetingen, nieuwsgierigheid en een sterke gedeelde energie om samen aan de slag te gaan. In beide wijken kwamen heel wat geïnteresseerde deelnemers samen, wat zorgde voor rijke gesprekken en een breed palet aan perspectieven op de toekomst van hun buurt. 

Wat meteen opviel was de sfeer van hoop en betrokkenheid. Veel deelnemers gaven aan dat het waardevol en hoopgevend was om samen te komen rond de toekomst van hun leefomgeving, en om die toekomst niet als iets passiefs te bekijken, maar als iets wat we samen kunnen vormgeven. Er ontstond duidelijk een gevoel van gedeeld eigenaarschap over de buurt en haar verdere ontwikkeling. 

Binnen de commons-benadering van het project werd dit nog versterkt: de buurt werd niet enkel gezien als een plek om over te praten, maar als een gedeelde ruimte die we samen beheren, verzorgen en opnieuw kunnen uitvinden. Die collectieve houding — tussen bewoners, organisaties, onderzoekers, kunstenaars en de natuur zelf — vormde de basis van de gesprekken. 

Doorheen deze eerste ontmoetingen verzamelden we ook al heel wat waardevolle kennis en inzichten over beide wijken: over klimaatuitdagingen zoals hitte en wateroverlast, over sociale dynamieken, en over biodiversiteit en de bestaande en mogelijke relaties tussen mens en natuur in de stad. In het dichtbebouwde Borgerhout, waar zomerse hitte en hevige regen steeds voelbaarder worden, werd nog eens duidelijk hoe relevant en urgent deze gezamenlijke aanpak is. 

Het InNature-project (2025–2029) wil samen met bewoners en partners twee specifieke wijken in Borgerhout groener en veerkrachtiger maken. Dat doen we niet top-down, maar via een commons-gebaseerde aanpak waarin burgers, ecologen, wetenschappers, middenveldorganisaties en kunstenaars samen de stad herdenken en mee vormgeven. Samen zoeken we naar manieren om verharding te doorbreken, water beter op te vangen en verkoeling te creëren, maar ook om zorg voor de natuur als gedeelde verantwoordelijkheid te verankeren. 

Een bijzonder sterke respons kwam er op onze “at conversations”-methodiek, waarbij we in dialoog gaan mét en via de natuur. Deze aanpak sloeg duidelijk aan: deelnemers ervaarden het als een open, toegankelijke en tegelijk diepgaande manier om na te denken over hun buurt, voorbij klassieke vergader- of participatievormen. 

Deze eerste startmomenten geven ons nog meer goesting om de komende jaren verder te werken met en in de gemeenschappen. We vertrekken met veel energie, dankbaarheid en het gevoel dat er iets waardevols in beweging is gezet — iets wat we samen verder zullen laten groeien als een gedeelde common. 

Sint-Amandus als gedeeld leerproces in natuurweefplanning

Op de Sint-Amandussite groeit vandaag geen klassiek heraanlegproject, maar een collectief experiment in natuurweefplanning. In een dense, verharde en watergevoelige wijk ontstaat stap voor stap een zoektocht naar natuur op mensenmaat — niet vanuit een vast eindbeeld, maar door samen te doen, te testen en bij te sturen.

Vanuit Commons Lab zien we Sint-Amandus als een gedeeld leer- en doe-traject. Kleine ingrepen zoals een erfgoedboomgaard, bijenkasten, verbonden tuinen en nieuwe ontmoetingsplekken maken natuur tastbaar in de buurt. Belangrijk daarbij is dat het project niet van nul vertrekt. Het bouwt verder op bestaande buurtinitiatieven, sociale praktijken en lokale dynamieken.

Net daarin schuilt een belangrijke les voor natuurweefplanning: de kracht zit niet alleen in ontwerp, maar in het versterken van wat al leeft. Door samen rond concrete ingrepen te werken, ontstaan nieuwe verbindingen tussen bewoners, organisaties, gebouw en ecologie. Ook de kerk zelf verandert mee, met ruimtes die nieuwe betekenissen en vormen van gebruik krijgen.

Sint-Amandus toont tegelijk dat experimenteren ook onzekerheid en frictie met zich meebrengt. Vragen rond beheer, eigenaarschap en regelgeving blijven voortdurend opduiken. Maar precies die complexiteit wordt hier niet vermeden, maar meegenomen als deel van het leerproces.

Wat deze plek bijzonder maakt, is dat ze bewust onaf blijft. Geen afgewerkt project, maar een levende praktijk waarin natuur, gemeenschap en erfgoed samen evolueren. Of zoals tijdens een proeftuindag werd gezegd: “De zoektocht naar een evenwicht tussen religie, gemeenschap en natuur vormt de ruggengraat van dit traject.”

Sint-Amandus laat zo zien hoe natuur kan groeien in de stad: niet door ze volledig te plannen en uit te rollen, maar door ruimte te maken voor gedeeld experiment, zorg en mede-eigenaarschap.

Om de processen rondom natuurweefselplanning te testen en te versterken heeft het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) een aantal proeftuinen opgezet. Die proeftuinen doorlopen een volledig natuurweefselplanningstraject en vormen samen een netwerk waarbij bevindingen en uitdagingen gedeeld worden. De Amandussite in Antwerpen-Noord waar Commons Lab gevestigd is, is door de Vlaamse Overheid geselecteerd. Commons Lab ondersteunt dit proeftuintraject mee vanuit een commonsinsteek.

Koen Wynants
De 1000km van Kom op tegen kanker: de samenleving die toont wie ze in haar mooiste vorm kan zijn

Niet in studio’s of parlementen. Niet in cijfers, dossiers of harde debatten. Maar langs Vlaamse wegen, op dorpspleinen, in schoolrefters en buurthuizen. In mensen die wafels bakken tot laat in de avond. In vrijwilligers die tafels versleuren. In kinderen die sponsorbriefjes verkopen. In supporters die uren wachten om één renner voorbij te zien komen — en dan applaudisseren alsof het hun eigen familie is.

De Kom op tegen Kanker 1000 km is zoveel meer dan een fietsevenement. Het is een golf van menselijkheid die door Vlaanderen trekt.

Overal ontstaan kleine wonderen van verbondenheid. Collega’s worden vrienden. Buren vinden elkaar terug. Mensen die elkaar nooit eerder spraken, delen plots verhalen over verlies, hoop, angst en liefde. En telkens opnieuw gebeurt hetzelfde: kwetsbaarheid duwt mensen niet uit elkaar, maar brengt hen dichter bij elkaar.

Wat hier ontstaat, is iets wat we een common van zorg zouden kunnen noemen. Geen systeem dat van bovenaf georganiseerd wordt, maar een levende gemeenschap die samen verantwoordelijkheid opneemt voor iets wat iedereen raakt. Gezondheid wordt hier geen individueel project, maar een gedeelde werkelijkheid. Iets wat je niet alleen draagt, maar samen bewaart, beschermt en voedt.

Dat is misschien waarom de 1000 km zoveel mensen diep raakt. Omdat je daar voelt hoe sterk mensen eigenlijk zijn wanneer ze samen zorg dragen. Niet vanuit verplichting. Niet omdat het moet. Maar omdat iets in ons weet dat niemand gemaakt is om moeilijke dingen alleen te dragen.

Zeker na de harde discussies over langdurig zieken van de voorbije week voelt dat bijna ontroerend radicaal. Terwijl het publieke debat soms kil wordt en mensen herleidt tot dossiers of percentages, gebeurt hier het tegenovergestelde: mensen worden opnieuw mensen. Geen cijfers. Geen kostenposten. Maar geliefden, vrienden, collega’s, ouders, kinderen.

De 1000 km herinnert ons eraan dat zorg nooit alleen georganiseerd wordt in instellingen. Zorg leeft tussen mensen. In kleine gebaren. In aanwezigheid. In samen blijven doorgaan.

Misschien is dat uiteindelijk de echte kracht van dit evenement: het toont een samenleving die nog niet vergeten is hoe ze zacht kan zijn. Een samenleving waarin solidariteit geen slogan is, maar iets tastbaars. Iets dat je voelt in applaus, in tranen, in vermoeide benen en in armen rond schouders aan de finish.

Vier dagen lang verschijnt een ander Vlaanderen.
Een warmer Vlaanderen.
Een trager Vlaanderen.
Een Vlaanderen dat zegt: we laten elkaar niet los.

En misschien is dat wat zoveel mensen meenemen naar huis na die duizend kilometer: niet alleen de vermoeidheid of de ontroering, maar een diep geloof dat liefde nog altijd een organiserende kracht kan zijn.

Dat gemeenschap nog bestaat.
Dat warmte zich vermenigvuldigt wanneer je ze deelt.
Dat solidariteit echte spieren heeft.

Een lange stoet fietsers, gedragen door duizenden handen langs de weg.

Niet omdat niemand valt.
Maar omdat iedereen telkens weer wordt opgeraapt.

Niemand rijdt alleen.

Met dank aan ‘het Bleek Verzet’, alle supporters, vrijwilligers, Kom op tegen Kanker

Koen Wynants
Terugblik op het eerste kwartaal van 2026

Tijdens onze laatste Algemene Vergadering kregen we een scherpe en terechte vraag van één van onze leden: wat heeft Commons Lab de voorbije maanden concreet teweeggebracht? Wat hebben we geleerd, wat werkt, wat werkt minder, en waar liggen vandaag de grootste kansen en drempels voor de commonsbeweging? Het zijn vragen die raken aan de kern van onze werking. De komende jaren willen we dan ook nog bewuster inzetten op het delen van onze inzichten, ervaringen, tips en impact met onze vrijwilligers, partners en bredere netwerk. Deze blog is daar een eerste, uitgebreide stap in.

Een nieuwe mijlpaal: het Commons Learning Lab

De eerste drie maanden van 2026 markeren een belangrijke mijlpaal in onze werking. Voor het eerst in onze geschiedenis organiseerden we zelf een reeks experimentele vormingsactiviteiten rond commons. Centraal daarin staat ons gloednieuwe Commons Learning Lab — een plek waar mensen samen leren, experimenteren en reflecteren rond gemeengoed, collectief eigenaarschap en samenwerking.

In Antwerpen organiseerden we twee basisvormingen, telkens in ons hoofdkantoor. In totaal namen 26 mensen deel. Een groot deel van hen kwam uit ons bestaande netwerk, maar we bereikten ook nieuwe geïnteresseerden die voor het eerst in aanraking kwamen met het commons-denken. De feedback was bijzonder positief: deelnemers waardeerden zowel de inhoud als de aanpak, en gaven aan dat de vormingen hen concrete handvatten boden om zelf aan de slag te gaan.

Die positieve reacties bleven niet zonder gevolg. Intussen krijgen we steeds vaker de vraag om deze basisvorming ook op andere plekken in Vlaanderen aan te bieden. Zo trekken we in juni naar de mijnsite in Zolder. Deze interesse sterkt ons in de overtuiging dat we het Commons Learning Lab de komende maanden breder willen uitrollen, bij voorkeur in nauwe samenwerking met lokale commons hubs en gemeenschappen.

Verdieping en lokale verankering

Naast de basisvorming zetten we ook stappen richting meer verdieping en lokale verankering. In Turnhout organiseerden we, samen met onze lokale partner het Natuurhuis, een driedelige vormingsreeks rond “optimaal communiceren” binnen commonsinitiatieven. Elf deelnemers gingen intensief aan de slag met communicatievraagstukken die eigen zijn aan collectieve processen en gedeeld eigenaarschap.

Ook hier was de feedback zeer positief. Deelnemers gaven niet alleen aan dat ze veel geleerd hadden, maar spraken ook expliciet de wens uit om nog verder te verdiepen. Vanuit die dynamiek groeit nu het idee om in de Kempen een duurzame intervisiegroep op te starten, waar initiatiefnemers elkaar op regelmatige basis kunnen ontmoeten, ondersteunen en versterken.

Nieuwe connecties, nieuwe samenwerkingen

De vormingen leveren meer op dan kennisdeling alleen. Ze creëren ruimte voor ontmoeting, uitwisseling en het ontstaan van nieuwe samenwerkingen. Via het Commons Learning Lab legden we de voorbije maanden heel wat nieuwe contacten met deelnemers uit diverse achtergronden.

Een concreet voorbeeld is de samenwerking met KU Leuven-doctoraatstudent Bram Vidts, met wie we momenteel een nieuwe vorming ontwikkelen die zich specifiek richt op ambtenaren. Daarnaast merken we dat deelnemers na een eerste kennismaking vaker aansluiten bij andere activiteiten van Commons Lab, zoals onze tweemaandelijkse COMPAS-sessies. Dat wijst op een groeiende betrokkenheid en een versterkend ecosysteem rond commons.

Groeiende vraag naar onze expertise

Parallel met onze eigen vormingsinitiatieven zien we ook een duidelijke toename in de vraag naar onze expertise van buitenaf. Steeds meer organisaties, overheden en onderwijsinstellingen doen een beroep op Commons Lab voor lezingen, workshops en trajecten rond commons.

Enkele momenten uit het eerste kwartaal:

  • In januari gaven we, op vraag van IOK, een webinar voor een veertigtal Kempense beleidsmakers.

  • In februari begeleidden we een “learning journey” voor ongeveer 40 studenten van de Antwerp Management School, langs verschillende commonsinitiatieven.

  • In maart organiseerden we samen met Socius en Nomad City een vorming rond commons in Hasselt.

Daarnaast werden we de voorbije maanden uitgenodigd door verschillende hogescholen (zoals HOWEST, VIVES, AP en KdG) om workshops en presentaties te geven. Ook overheden vinden steeds vaker hun weg naar ons: zo vroeg het Departement Omgeving ons om in april een workshop te geven over de ondersteuning van Tuinstraten tijdens een Vlaamse studiedag.

Deze groeiende vraag bevestigt dat het thema commons steeds breder begint te leven in Vlaanderen, en dat er nood is aan kennis, begeleiding en praktijkgerichte inzichten.

Eerste leerlessen in een notendop

Als we terugblikken op dit eerste kwartaal, tekenen zich enkele duidelijke leerlessen af. Onze vormingen vinden hun publiek en worden sterk gewaardeerd, zowel qua inhoud als aanpak. Tegelijk merken we dat deelnemers niet alleen interesse hebben in het thema commons, maar ook in Commons Lab als organisatie en netwerk.

De vraag naar verdieping is groot: er is nood aan meer gespecialiseerde en meerdaagse trajecten die ingaan op specifieke aspecten van commonspraktijken, zoals governance, communicatie of samenwerking met overheden. We zien ook dat we steeds vaker gevraagd worden om onze expertise te delen in heel Vlaanderen, wat wijst op een groeiende relevantie.

Tegelijk blijft ons bereik voorlopig nog relatief sterk verbonden met bestaande netwerken — mensen die via via al in aanraking kwamen met commons. Net daar liggen voor ons belangrijke kansen om de beweging verder te verbreden en nieuwe doelgroepen te bereiken.

Vooruitblik

Deze eerste maanden geven ons veel vertrouwen voor de toekomst. We zijn er vandaag al van overtuigd dat we onze doelstellingen — in het bijzonder rond het delen van kennis, ervaringen en praktijken rond commons — de komende jaren verder zullen kunnen realiseren en versterken.

De uitdaging ligt nu in het verder uitbouwen van ons aanbod, het verdiepen van leertrajecten en het versterken van lokale verankering, zodat steeds meer mensen en organisaties kunnen experimenteren met commons als alternatief en aanvullend model voor onze samenleving.

Interesse?

Heb je interesse in een vorming rond commons, of wil je mee organiseren binnen jouw organisatie of regio? Neem zeker een kijkje op onze kalender of neem contact met ons op. Samen bouwen we verder aan een lerend netwerk rond gemeengoed.

VerslagJoppe Ruts
Commons, afspraken en sancties: de architectuur van gedeelde zorg

We krijgen wel eens vragen van burgercollectieven over het maken van afspraken. Wie voert controle uit of afspraken wel gevolgd worden? Wat als onderling gemaakte afspraken niet nagekomen worden? Moeten er dan sancties opgelegd worden?

Commons zijn geen “vrije” ruimtes zonder regels, maar hangen juist sterk af van zorgvuldig opgebouwde afspraken. Deze afspraken zijn geen externe opgelegde wetten, maar ontstaan in dialoog tussen de betrokkenen zelf. Ze zijn contextueel, dynamisch en geworteld in wederzijds vertrouwen. In tegenstelling tot markt- of staatslogica, waar regulering vaak top-down gebeurt, zijn commons gebaseerd op co-governance: het gezamenlijk vormgeven van regels door degenen die erdoor geraakt worden.

Toch is vertrouwen alleen niet voldoende. Elke gemeenschap — hoe betrokken ook — wordt geconfronteerd met spanningen, misbruik of verschillen in engagement. Hier komen sancties in beeld. Binnen een commons-benadering zijn sancties echter fundamenteel anders dan in klassieke juridische systemen. Ze zijn niet primair bestraffend, maar corrigerend en relationeel. Het doel is niet uitsluiting, maar herstel van evenwicht binnen de gemeenschap.

Een belangrijk inzicht uit commons-praktijken is dat sancties best gradueel en proportioneel zijn. Kleine overtredingen vragen om lichte correcties: een gesprek, een herinnering aan de afspraken, een uitnodiging tot reflectie. Pas wanneer gedrag structureel schadelijk blijkt, kunnen zwaardere maatregelen volgen. Deze gelaagdheid voorkomt escalatie en versterkt het gevoel van rechtvaardigheid. Mensen ervaren regels dan niet als opgelegd, maar als gedeeld gedragen.

Bovendien zijn sancties in commons idealiter transparant en ingebed in collectieve besluitvorming. Wie beslist wat een overtreding is? Wie spreekt iemand aan? Door deze vragen open te houden en samen te beantwoorden, blijft de legitimiteit van het systeem intact. Dit voorkomt dat macht zich concentreert bij enkelen en bevordert een cultuur van aanspreekbaarheid.

Vanuit een Commons Lab-perspectief kunnen we sancties dus zien als een vorm van zorg: zorg voor de relatie, voor de hulpbron en voor de gemeenschap als geheel. Ze maken deel uit van een bredere ethiek waarin verantwoordelijkheid niet wordt afgedwongen van buitenaf, maar groeit van binnenuit.

Toch schuilt hier ook een uitdaging. Commons vragen tijd, betrokkenheid en voortdurende communicatie. In een samenleving die sterk gericht is op efficiëntie en individualisering, is dat geen vanzelfsprekende investering. Het risico bestaat dat commons overbelast raken of dat informele sancties leiden tot sociale druk of uitsluiting.

Daarom pleit de Commons Lab-visie voor het expliciet maken en blijven bevragen van afspraken en sancties. Niet als starre structuren, maar als levende praktijken. Wat werkt nog? Wie wordt gehoord? Waar ontstaan blinde vlekken? Door deze reflexiviteit kunnen commons zich aanpassen en veerkrachtig blijven.

Uiteindelijk tonen commons dat samenwerking geen naïef ideaal is, maar een complexe praktijk die structuur én zorg vereist. Afspraken geven richting, sancties bewaken de balans, en samen vormen ze de onzichtbare architectuur van gedeelde werelden. In die zin zijn commons geen alternatief naast de markt of de staat, maar een fundamentele aanvulling: een manier van organiseren die vertrekt vanuit het besef dat wat we delen, ons ook samen vormt.

Koen Wynants
Zorgzame samentuinen in Antwerpen vieren sterke resultaten én lanceren nieuwe oproep voor 2026

Met de feestelijke uitreiking van “Zorgzame Samentuin 2025”-plakkaatjes geeft Commons Lab het burgerbegrotingsproject rond zorgzame samentuinen in het district Antwerpen officieel een doorstart naar 2026. De uitreiking vond plaats tijdens een warme slotactie in de Zorgzame Samentuin Europark op Linkeroever, waar buurtbewoners en samentuiniers samen de handen uit de mouwen staken.

Tijdens deze laatste bijeenkomst bouwden deelnemers, samen met ambachtsman Dirk van Houthart, een unieke rustbank in een zelfgebouwde yurt van wilgentenen. Deze plek vormt voortaan het hart van de tuin: een centrale ontmoetingsplek waar tuiniers even kunnen pauzeren, verbinden en tot rust komen.

 

Wat is een zorgzame samentuin?

Iris van Commons Lab legt uit: “Een zorgzame samentuin is voor ons een plek waar mensen samen tuinieren én tegelijk voor elkaar zorgen. Het is een warme, toegankelijke omgeving waar buurtbewoners, met en zonder zorgnoden, elkaar ontmoeten, versterken en op hun eigen tempo kunnen deelnemen. Wat er groeit in de tuin is belangrijk, maar wat er tussen mensen groeit — verbinding, vertrouwen en zorg — is minstens even waardevol.” Een zorgzame samentuin is dus een plek waar samen tuinieren hand in hand gaat met sociale ondersteuning en zorg. Het zijn plekken waar buurtbewoners, jong en oud, met en zonder zorgnoden, elkaar ontmoeten en versterken.

 

In 2025 ondersteunde Commons Lab drie samentuinen in het district Antwerpen in hun groei naar meer zorgzame en inclusieve plekken: Samentuin Europark op Linkeroever, Samentuin De Verborgen Koostertuin in Antwerpen-Noord en ‘t Hofke van Lozane in de Harmoniewijk.

 

Dankzij gerichte ondersteuning van Commons Lab konden deze tuinen activiteiten organiseren waarbij diverse groepen samen tuinierden. OKAN-leerlingen, senioren uit woonzorgcentra, jongeren in kwetsbare situaties en buurtbewoners vonden elkaar in en rond de tuin. Senioren bleven actief en deelden hun kennis via verhoogde tuinbedden, jongeren zetten hun talenten in en vonden aansluiting, en nieuwkomers kregen de kans om Nederlands te oefenen in een informele context. “Tegelijk zagen we ook de eerste  tekenen van meer sociale cohesie in de buurt.”, aldus Iris, “Elk tuin-collectief werkte op zijn eigen tempo en vanuit zijn eigen context aan meer zorgzaamheid. Dat gebeurde zowel door gerichte ingrepen in de infrastructuur, zoals toegankelijkere tuinbedden en ontmoetingsplekken, als door het opstarten van nieuwe samenwerkingen en het versterken van de openheid naar mensen met zorgnoden.”

 

Op één jaar tijd maakten met de hulp van Commons Lab en partners zoals het Team Commons en Samentuinen van de Stad Antwerpen, drie tuinen zo duidelijke stappen richting inclusievere en warmere plekken in hun buurt.

Het succes van het traject in 2025 wil Commons Lab samen met haar partners en met de steun van de Antwerpse Burgerbegroting herhalen in 2026. Samentuinen in het district Antwerpen kunnen zich nog tot en met 31 maart aanmelden om gratis ondersteuning te krijgen om hun werking (nog) zorgzamer te maken. Met deze oproep wil Commons Lab nog meer tuinen ondersteunen in hun rol als plekken waar zorg en gemeenschap samenkomen en waar iedereen kan bijdragen én zorgzaamheid kan vinden.

 

Geïnteresseerde samentuinen kunnen zich aanmelden via iris@commonslab.be (laatste dagen)