Berichten in Opinie
De NAVO heeft artikel 5. Wanneer krijgt de aarde een artikel 5? Waarom de 21e eeuw nood heeft aan een wereldcommonsorde

De wereld maakt zich opnieuw klaar voor een tijdperk van onzekerheid. Regeringen verhogen defensiebudgetten. Miljarden vloeien naar nieuwe wapensystemen. Legers worden versterkt. De boodschap is duidelijk: veiligheid moet opnieuw centraal staan. En terecht. Een wereld zonder vrede en internationale rechtsregels is geen wereld waarin samenlevingen kunnen bloeien. Maar tegelijk voltrekt zich een andere veiligheidscrisis die zich niet laat tegenhouden door grenzen, legers of militaire macht.

De klimaatcrisis.

Deze zomer zien we opnieuw de signalen: extreme hitte, dodelijke temperaturen, verwoestende bosbranden, droogte en ecosystemen die steeds verder onder druk komen te staan. Toch behandelen we deze crisis nog steeds alsof ze behoort tot een apart beleidsdomein: het "milieu". Dat is een historische vergissing. De klimaatcrisis is geen milieuprobleem naast andere problemen. Ze raakt aan de fundamenten van onze veiligheid: voedsel, water, gezondheid, economie en maatschappelijke stabiliteit. De vraag van deze eeuw is daarom niet alleen hoe we ons beschermen tegen elkaar. De vraag is hoe we samen zorgen voor het systeem waarvan we allemaal afhankelijk zijn.

Onze veiligheidsinstituties stammen uit de vorige eeuw

Na twee wereldoorlogen bouwde de wereld instituties om vrede en veiligheid tussen staten te organiseren. De NAVO. De Verenigde Naties. De Europese samenwerking. Ze vertrokken vanuit een revolutionair inzicht: sommige bedreigingen zijn te groot om alleen te beantwoorden. Veiligheid ontstaat door samenwerking en gedeelde verantwoordelijkheid. Maar de grote bedreigingen van vandaag passen steeds minder binnen nationale grenzen. Een virus houdt geen rekening met paspoorten. Een bosbrand stopt niet aan een grensovergang. Een veranderend klimaat vraagt geen toestemming aan regeringen. De problemen zijn mondiaal geworden, maar onze antwoorden zijn nog grotendeels nationaal georganiseerd. Daar zit de grote institutionele uitdaging van de 21e eeuw.

De aarde is de grootste common die we delen

Vanuit het commonsdenken is de klimaatcrisis in essentie een crisis van gedeeld beheer. Een common is iets waarvan iedereen afhankelijk is, maar dat niemand alleen kan beheren. Water. Lucht. Oceanen. Biodiversiteit. Een stabiel klimaat. Deze systemen zijn niet van niemand. Ze zijn van ons allemaal. Maar precies daarom kunnen ze niet behandeld worden als gewone economische goederen. We hebben de atmosfeer gebruikt als gratis afvalruimte. Bossen als grondstoffenvoorraad. Open ruimte als bouwreserve. Natuur als iets dat beschikbaar is zolang de marktwaarde beperkt blijft. Maar de aarde is geen bezit. Ze is de basisvoorwaarde voor al ons bezit.

Van collectieve verdediging naar collectieve zorg

De NAVO is gebaseerd op een krachtig principe: een aanval op één lidstaat wordt beschouwd als een bedreiging voor allen. Waarom bestaat er geen gelijkaardig principe voor de bescherming van onze planetaire commons? Wat als we zouden erkennen dat de vernietiging van ecosystemen, de destabilisering van het klimaat en het verlies van biodiversiteit geen problemen van afzonderlijke landen zijn, maar bedreigingen voor iedereen? Dan ontstaat een ander perspectief. Een wereldcommonsorde. Geen wereldregering. Geen utopie. Maar een nieuwe laag van internationale samenwerking waarin landen, steden, burgers en gemeenschappen samen verantwoordelijkheid opnemen voor de systemen die ons leven mogelijk maken.

Een wereldcommonsorde zou investeren in:

  • klimaatadaptatie in kwetsbare regio's;

  • herstel van bossen, oceanen en biodiversiteit;

  • gedeelde kennis en technologie;

  • fossielvrije energie;

  • waterveiligheid;

  • klimaatbestendige steden.

Niet als liefdadigheid. Maar als collectieve veiligheid.

De grootste uitdaging: politiek die nog gevangen zit in de oude logica

Natuurlijk rijst de vraag: wie gaat zo'n wereldcommonsorde organiseren? De huidige internationale politiek is nog sterk gebaseerd op nationale belangen, economische concurrentie en geopolitieke macht. Staten zullen niet vanzelf hun verantwoordelijkheid opnemen. Geschiedenis leert echter dat grote maatschappelijke veranderingen zelden beginnen in regeringsgebouwen.

Ze beginnen vaak bij mensen die nieuwe praktijken ontwikkelen. De arbeidersbeweging bouwde organisaties lang voor sociale rechten wettelijk werden verankerd. De milieubeweging creëerde bewustzijn lang voor klimaatbeleid politieke prioriteit werd. Coöperaties bewezen dat economie ook anders georganiseerd kan worden. Ook een wereldcommonsorde zal waarschijnlijk niet plots worden aangekondigd op een internationale top. Ze zal moeten groeien.

Van lokale commons naar mondiale verandering

Een wereldcommonsorde begint misschien niet in Genève of New York. Ze begint in buurten. In steden. In gemeenschappen. Elke energiecoöperatie waarin burgers samen eigenaar worden van de energietransitie. Elke buurt die samen onthardt en vergroent. Elke gemeenschap die water niet langer als afvalstroom maar als gedeelde hulpbron beheert. Elke boer en burger die samen werkt aan een ander voedselsysteem. Het zijn geen kleine uitzonderingen. Het zijn oefenplaatsen voor een andere manier van samenleven. Ze tonen dat burgers niet alleen consumenten of kiezers zijn. Ze kunnen ook mede-beheerders zijn van hun leefomgeving.

Vlaanderen als proeftuin

Ook Vlaanderen kan hierin een rol spelen. Niet door de wereldcommonsorde uit te roepen. Wel door te tonen hoe ze eruit kan zien. Door buurten te ondersteunen die zelf klimaatoplossingen ontwikkelen. Door energie, voedsel, water en natuur opnieuw als gedeelde verantwoordelijkheden te organiseren. Door nieuwe vormen van samenwerking tussen burgers, overheden, onderzoekers en organisaties mogelijk te maken. Dat is precies waar middenveldorganisaties zoals Commons Lab een rol spelen.

Niet door te wachten op de grote internationale verandering. Maar door vandaag al te oefenen in de principes waarop ze gebaseerd zal zijn:

  • gedeeld eigenaarschap.

  • democratische besluitvorming.

  • zorg voor de leefomgeving.

  • samen leren en experimenteren.

De strategische keuze van deze eeuw

De discussie van vandaag wordt vaak verkeerd voorgesteld. Alsof we moeten kiezen tussen veiligheid en klimaat. Maar dat is een vals dilemma. Geen leger kan een hittegolf stoppen. Geen raket kan een rivier herstellen. Geen tank kan biodiversiteit terugbrengen. De echte strategische keuze is welke wereldorde we willen bouwen. Een wereld waarin landen vooral concurreren om macht, grondstoffen en veiligheid? Of een wereld waarin landen ook leren samenwerken rond wat ons allemaal draagt? De twintigste eeuw bouwde een internationale veiligheidsorde. De eenentwintigste eeuw moet een wereldcommonsorde bouwen. Misschien krijgt de aarde nooit letterlijk een artikel 5. Maar misschien moeten we wel handelen alsof dat zo is. Want een aanval op onze planetaire commons is uiteindelijk een bedreiging voor ons allemaal.

De wereldcommonsorde zal niet worden uitgevonden door één leider, één verdrag of één instelling. Ze zal groeien uit miljoenen mensen die vandaag al leren hoe we samen zorg kunnen dragen voor wat van ons allemaal is. De toekomst van de aarde zal niet alleen worden bepaald door de machtigen. Maar door iedereen die verantwoordelijkheid neemt voor het gemeenschappelijke huis waarin we leven.

OpinieKoen Wynants
OPINIE: Open water is van iedereen. De verantwoordelijkheid ook

Schotense vaart als gemeengoed

De Vlaamse Regering presenteert de nieuwe regels rond openwaterzwemmen als een overwinning voor de vrijheid. Vanaf 2027 wordt zwemmen in open water in principe overal mogelijk, tenzij een verbod geldt. Dat is op het eerste gezicht een positieve evolutie. Onze rivieren, meren en plassen worden meer toegankelijk als plekken voor ontspanning, ontmoeting en beweging.

Maar de manier waarop deze vrijheid wordt georganiseerd, verdient meer debat. Want tegelijk klinkt de boodschap: buiten erkende zwemzones zwem je op eigen risico. De overheid opent de deur, maar legt de verantwoordelijkheid voor wat er achter die deur gebeurt grotendeels bij de individuele burger. Zo dreigt een publieke ruimte die we samen delen, te worden herleid tot een individuele keuze met individuele gevolgen.

Daarmee missen we een belangrijke kans. Water is immers nooit alleen een plek om te zwemmen. Onze waterlopen en waterpartijen zijn levende ecosystemen, bronnen van biodiversiteit, buffers tegen klimaatverandering en plaatsen waar mensen elkaar ontmoeten. Ze zijn geen product dat we consumeren, maar een gemeenschappelijk goed waar we samen zorg voor dragen.

Een andere benadering vertrekt vanuit gedeelde verantwoordelijkheid. De centrale vraag is dan niet: "Wie draagt de schuld als het fout loopt?" maar: "Hoe organiseren we samen de voorwaarden zodat iedereen veilig en duurzaam gebruik kan maken van water?"

Dat vraagt om een andere manier van beleid maken. De overheid moet niet alles controleren, maar wel haar verantwoordelijkheid opnemen: zorgen voor betrouwbare informatie over waterkwaliteit en risico’s, kennis delen, monitoring organiseren en een duidelijk kader creëren waarin lokaal initiatief kan groeien. Waterbeheerders en terreinbeheerders kennen de kwetsbaarheden van hun gebieden en moeten betrokken worden bij het beheer. Lokale gemeenschappen kunnen mee zorg dragen voor hun omgeving. En gebruikers worden niet gezien als passieve consumenten, maar als mede-verantwoordelijke partners.

Dat die bereidheid tot gedeelde verantwoordelijkheid bestaat, bewijzen talrijke lokale initiatieven. Aan de Schotense Vaart bijvoorbeeld werken bewoners en organisaties samen rond de vraag hoe de vaart en haar oevers opnieuw een plek van ontmoeting, natuurbeleving en gedeeld gebruik kunnen worden. In plaats van te wachten tot een overheid een oplossing uitwerkt, brengen mensen zelf kennis, engagement en zorg samen. Het traject rond "De Vaart(kant) als gemeengoed", met betrokkenheid van onder meer Waterland, Commons Lab en lokale partners, toont dat burgers niet alleen gebruikers van water willen zijn, maar ook beheerders en beschermers ervan.

Zo’n aanpak gaat ook verder dan veiligheid alleen. Een rivier of meer dat veilig toegankelijk is voor mensen, moet tegelijk ook leefbaar blijven voor planten en dieren. Waterkwaliteit, ecologie, recreatie en klimaatbestendigheid zijn geen aparte thema’s, maar verschillende kanten van dezelfde uitdaging. Wie mensen opnieuw verbindt met water, vergroot ook het draagvlak om dat water te beschermen.

Dit is geen pleidooi voor meer betutteling of meer regels. Het is een pleidooi voor een andere verhouding tussen overheid en samenleving. Een overheid die niet zegt: "Je mag dit doen, maar trek je plan." Wel een overheid die zegt: "Dit is van ons allemaal, dus we zorgen er ook samen voor."

De toekomst van onze wateromgeving vraagt precies dat: niet minder overheid, maar een andere overheid. Niet minder vrijheid, maar vrijheid die gedragen wordt door zorg en betrokkenheid. De overheid hoeft niet alles zelf te doen, maar moet wel ruimte maken voor zij die verantwoordelijkheid willen opnemen.

Daarom pleiten wij voor een nieuw kader voor openwaterrecreatie: maak van elke toegankelijke zwemlocatie een gedeelde waterplek. Een plek waar overheid, waterbeheerders, lokale besturen, natuurorganisaties en gebruikers samen afspraken maken over veiligheid, waterkwaliteit, ecologie en zorg. Geen versnipperde verantwoordelijkheden, maar een gedeeld engagement.

Laat Vlaanderen niet alleen de toegang tot water verruimen, maar ook de voorwaarden creëren om er samen zorg voor te dragen. Want de gemeenschappen die hiervoor verantwoordelijkheid willen opnemen, bestaan al. Het beleid moet ze niet vervangen, maar erkennen, ondersteunen en versterken.

Open water is van iedereen. De verantwoordelijkheid ook.

Wanneer burgers het gat dichten: commons tussen zorg en besparingslogica

Overal duiken ze op: burgercollectieven die natuur herstellen, kennis delen, zorg organiseren, voedsel produceren of publieke ruimte beheren. Ze ontstaan vaak vanuit dezelfde ervaring: iets wat essentieel is voor het gemeenschappelijke leven staat onder druk, en niemand lijkt het echt op te nemen. Dus doen mensen het zelf. Ze organiseren zich, delen kennis, mobiliseren vrijwilligers en bouwen stap voor stap aan een commons — een gedeelde hulpbron die ze samen beheren en beschermen.

Dat is de kracht van commons. Waar systemen vastlopen, ontstaat initiatief. Waar publieke structuren tekortschieten, bouwen mensen nieuwe vormen van samenwerking. Commons tonen dat burgers niet alleen consumenten van publieke diensten zijn, maar ook mede-dragers van het gemeenschappelijke. Ze maken zichtbaar hoeveel zorg, organisatie en creativiteit er in een samenleving aanwezig is.

Maar precies daar zit ook een ongemakkelijk spanningsveld.

Veel commonsinitiatieven bewegen zich rond domeinen die traditioneel tot de kerntaken van de overheid behoren: natuurbeheer, sociale infrastructuur, kennisdeling, cultuur, zorg voor publieke ruimte. Wanneer burgers die rollen beginnen op te nemen, kan dat op twee manieren gelezen worden. Enerzijds als een krachtige vorm van democratische zelforganisatie. Anderzijds — en dat is het ongemakkelijke deel — kan het perfect passen in een politieke logica die publieke verantwoordelijkheid wil afbouwen.

De redenering is eenvoudig: als burgers het toch zelf doen, waarom zou de overheid dan nog investeren?

Zo dreigt het engagement van commoners onbedoeld in de slipstream te belanden van een besparingspolitiek die publieke diensten stap voor stap uitholt. De zorg voor het gemeenschappelijke wordt dan verschoven van collectief gefinancierde structuren naar vrijwillige inzet. Wat begint als emancipatie kan zo eindigen als normalisering van structurele onderfinanciering.

Voor veel commoners voelt dat als een fundamenteel dilemma. Ze willen niet passief toekijken terwijl publieke goederen achteruitgaan. Hun betrokkenheid komt net voort uit zorg voor het gemeenschappelijke. Maar tegelijk willen ze niet dat hun inzet gebruikt wordt als argument om publieke verantwoordelijkheid verder af te bouwen.

Met andere woorden: ze willen het gat dichten, maar niet dat het gat daardoor permanent wordt.

Dit spanningsveld vraagt om een scherpere manier van kijken naar de relatie tussen commons en overheid. Commons zijn geen goedkope vervangers voor publieke diensten. Ze zijn ook geen hobbyprojecten aan de rand van het systeem. Ze vormen een eigen manier van organiseren rond gedeelde hulpbronnen: zelfgeorganiseerd, relationeel, lokaal verankerd en vaak experimenteel.

Maar precies daarom hebben commons een publieke context nodig die hen ondersteunt in plaats van instrumentaliseert. Niet een overheid die zich terugtrekt omdat burgers het wel oplossen, maar een overheid die erkent dat commons waarde creëren en die daarvoor ruimte, middelen en bescherming biedt. In plaats van taken af te schuiven, kan de overheid partnerschap aangaan met gemeenschappen die al verantwoordelijkheid opnemen.

Commons laten zien dat zorg voor het gemeenschappelijke niet alleen van bovenaf georganiseerd kan worden. Maar ze tonen ook dat een samenleving niet kan draaien op vrijwillige inzet alleen. Wanneer burgers zich organiseren rond biodiversiteit, zorg, kennis of publieke ruimte, doen ze dat niet omdat ze geloven dat de overheid overbodig is. Ze doen het omdat ze geloven dat het gemeenschappelijke te belangrijk is om te laten verdwijnen.

De echte vraag is dus niet of burgers zich moeten engageren. Dat doen ze al. De vraag is wat er gebeurt wanneer ze dat doen. Wordt hun engagement een excuus om publieke verantwoordelijkheid af te bouwen? Of wordt het een uitnodiging om die verantwoordelijkheid opnieuw vorm te geven — samen met de gemeenschappen die het gemeenschappelijke al dragen?

Commons beginnen vaak waar systemen falen. Maar hun ambitie is groter dan dat. Ze herinneren ons eraan dat het gemeenschappelijke niet alleen beschermd moet worden, maar ook gedeeld — in verantwoordelijkheid, in zorg en in macht. Dat is geen vervanging van het publieke, maar een kans om het te heruitvinden.

OpinieKoen Wynants
Vrijwilliger of mede-beheerder? Over arbeid, inclusiviteit en waardering in een common

Binnen de commonsbeweging duikt regelmatig een ogenschijnlijk eenvoudige vraag op: spreken we over vrijwilligers, of over iets anders? Het is geen semantische finesse. Het raakt aan hoe we arbeid begrijpen, hoe we waarde toekennen, en wie toegang heeft tot het gemeenschappelijke.

Het woord “vrijwilliger” draagt een bepaalde maatschappelijke ordening in zich. Het suggereert inzet in de vrije tijd, naast het “echte” werk. Het verwijst vaak naar hulp aan een organisatie of doelgroep, naar engagement dat ondersteunend is maar niet dragend. Het is positief geladen — genereus, betrokken — maar tegelijk gepositioneerd aan de rand van het economische en politieke centrum.

Commons vertrekken vanuit een andere logica.

Een commons is geen organisatie die ondersteund wordt door vrijwilligers. Het is een gedeelde hulpbron die alleen kan bestaan dankzij collectieve zorg. Die zorg is geen bijkomstigheid; ze is constitutief. Zonder moderatie, onderhoud, organisatie, conflictbemiddeling, kennisdeling en relationele zorg verdwijnt de commons. Wie bijdraagt, ondersteunt dus niet iets externs — die persoon onderhoudt mee een gemeenschappelijke infrastructuur.

Dat inzicht verschuift ook de manier waarop we naar arbeid kijken.

Arbeid die onzichtbaar blijft

Veel commonsarbeid lijkt op wat in feministische economie “reproductieve arbeid” wordt genoemd: zorg, onderhoud, organisatie, relationeel werk. Het is vaak onzichtbaar, moeilijk te kwantificeren en zelden marktgeprijsd. Toch is het essentieel voor het functioneren van gemeenschappen, kennisnetwerken en ecologische systemen.

Wanneer we dit louter “vrijwilligerswerk” noemen, riskeren we dat deze arbeid symbolisch gewaardeerd wordt — met dankwoorden en applaus — maar structureel onderbelicht blijft. Commonsdenken nodigt uit om deze arbeid niet alleen moreel, maar ook politiek en economisch ernstig te nemen. Niet om alles te vermarkten, maar om te erkennen dat zorg voor het gemeenschappelijke fundamenteel werk is.

Inclusiviteit: wie kan zich vrijwilligheid permitteren?

Hier wordt het spanningsveld scherp. Vrijwillige inzet veronderstelt tijd, energie en vaak financiële stabiliteit. Niet iedereen beschikt daar in gelijke mate over. Wanneer commons volledig steunen op onbetaalde inzet, ontstaat het risico dat participatie vooral toegankelijk is voor wie zich dat kan veroorloven.

Dat is geen verwijt, maar een structurele realiteit. Engagement wordt dan onbedoeld gekoppeld aan privilege. Commons die inclusiviteit ernstig nemen, kunnen deze vraag niet negeren: hoe zorgen we ervoor dat zorg voor het gemeenschappelijke geen luxe wordt?

Dat kan verschillende richtingen uitgaan:

  • vergoedingen of onkostenregelingen voor kernrollen

  • gedeelde middelen om participatie mogelijk te maken

  • rotatiesystemen die overbelasting voorkomen

  • experimenten met hybride financieringsmodellen

  • expliciete aandacht voor wie niet aan tafel zit

De vraag is niet of alles betaald moet worden, maar hoe we drempels verlagen zonder de logica van het gemeenschappelijke te ondermijnen.

Waardering voorbij symboliek

Waardering binnen een commons kan niet beperkt blijven tot bedankingen of jaarlijkse viermomenten — hoe belangrijk die ook zijn. Waardering betekent ook:

  • toegang tot besluitvorming

  • transparantie over middelen

  • gedeeld eigenaarschap

  • erkenning van expertise

  • ruimte voor groei en leren

  • bescherming tegen uitputting

In een commons is waardering nauw verbonden met macht en verantwoordelijkheid. Wie bijdraagt, moet ook invloed kunnen uitoefenen. Wie zorg draagt, moet ook beschermd worden tegen overbelasting. Wie investeert in het gemeenschappelijke, moet zich er werkelijk deel van voelen.

Zo verschuift waardering van een symbolische daad naar een structureel principe.

Van altruïsme naar wederkerigheid

Vrijwilligerswerk wordt vaak voorgesteld als altruïstisch: geven zonder iets terug te verwachten. Commons functioneren anders. Ze zijn gebaseerd op wederkerigheid. Wie bijdraagt, ontvangt ook — niet noodzakelijk geld, maar toegang, verbondenheid, kennis, betekenis, collectieve kracht.

Deze wederkerigheid is geen verborgen transactie, maar een gedeeld besef dat het gemeenschappelijke ons allemaal draagt. Engagement is dan geen offer, maar participatie in een levende infrastructuur van zorg.

Commons lab als experimenteerruimte

Als Commons lab proberen we deze spanningen niet te vermijden, maar te onderzoeken. Hoe organiseren we engagement op een manier die:

  • intrinsieke motivatie respecteert,

  • economische realiteit erkent,

  • inclusiviteit bevordert,

  • zorgarbeid zichtbaar maakt,

  • en de commons versterkt?

Hoe bouwen we waarderingspraktijken die niet vervallen in marktdenken, maar ook niet blind zijn voor ongelijkheid? Hoe zorgen we ervoor dat “vrijwillig” niet betekent “minder belangrijk”?

Misschien gaat het uiteindelijk niet om het vervangen van het woord vrijwilliger, maar om het verdiepen van onze praktijk. Wanneer we engagement zien als gedeeld eigenaarschap, wordt duidelijk dat commons niet bestaan dankzij vrijblijvende hulp. Ze bestaan dankzij mensen die samen verantwoordelijkheid opnemen voor wat hen verbindt.

En precies daar ligt de uitdaging: een cultuur bouwen waarin zorg voor het gemeenschappelijke niet afhankelijk is van toeval of privilege, maar gedragen wordt als een gedeelde, erkende en gewaardeerde vorm van arbeid.

Antwerpen-Noord heeft geen strengere hand nodig, maar sterkere handen samen

Wie de beelden en getuigenissen uit Antwerpen-Noord ziet – openlijk drugsgebruik, wanhopige horeca-uitbaters, bewoners die zich in de steek gelaten voelen – merkt vooral dit: het vertrouwen is op. Het De Coninckplein is al jaren het decor van een hardnekkige problematiek. Politieacties volgen elkaar op. Camera’s worden geplaatst. Tijdelijke sluitingen worden opgelegd. En toch keert de overlast telkens terug.

Dat is geen teken van onwil bij stad of district. Het is een teken dat het probleem groter is dan wat klassieke bestuurlijke instrumenten kunnen vatten.

Repressie beheert symptomen, maar bouwt geen gemeenschap

Drugsproblematiek in Antwerpen-Noord is geen louter veiligheidsprobleem. Het is een sociaal vraagstuk dat wortelt in armoede, precair verblijf, dakloosheid, mentale kwetsbaarheid en een publieke ruimte die steeds minder van haar bewoners lijkt te zijn. Repressie kan tijdelijk orde scheppen, maar ze bouwt geen relaties op, geen vertrouwen, geen perspectief.

Wie vandaag op het plein staat, ziet geen “probleemgroepen”, maar mensen die nergens anders terecht kunnen. Dat vraagt meer dan handhaving. Het vraagt sociale infrastructuur. En precies daar knelt het schoentje.

Wat er wél al groeit in 2060

Het wrange is: Antwerpen-Noord is geen wijk zonder kracht. Integendeel.

2060 United brengt bewoners, middenveld en organisaties samen rond een gezamenlijke visie op leefbaarheid. Amandus 2060 herdenkt een voormalige kerksite als ontmoetingsplek voor de buurt. In De Verborgen Kloostertuin krijgt gedeeld beheer van ruimte en voedselproductie concreet vorm. ’t Vlot biedt een laagdrempelige huiskamer voor mensen in extreme kwetsbaarheid. Het Antwerps Straatsyndicaat geeft straatbewoners een stem in het publieke debat.

Dat zijn geen randinitiatieven. Dat zijn kiemen van een ander model: een commons-benadering, waarin bewoners niet louter “doelgroep” zijn van beleid, maar mede-eigenaar van oplossingen.

Commons: van beheersen naar beheren

Commons-denken vertrekt van een eenvoudige maar radicale gedachte: publieke ruimte en collectief welzijn zijn geen producten van bovenaf, maar worden samen gemaakt en beheerd.

Dat betekent niet dat de overheid zich terugtrekt. Integendeel. Het betekent dat ze haar rol herdenkt: van controleur naar facilitator, van beslisser naar partner.

In plaats van telkens nieuwe veiligheidsplannen te lanceren, zou de stad systematisch kunnen investeren in buurtgedragen beheer van pleinen, in coöperatieve uitbating van sociale infrastructuur, in gedeelde besluitvorming over publieke ruimte. Niet als participatieshowcase, maar als echte machtsoverdracht op wijkniveau.

De filosofie van Eigen Kracht

Hier sluit de filosofie van Eigen Kracht-conferenties naadloos bij aan. Die methode vertrekt vanuit het idee dat mensen, families en netwerken zélf plannen kunnen maken om problemen aan te pakken, wanneer ze de ruimte, informatie en ondersteuning krijgen om dat te doen. Professionals blijven beschikbaar, maar nemen het proces niet over.

Toegepast op wijkniveau betekent dit: breng bewoners, horeca, straathoekwerkers, politie, hulpverlening en ook gebruikers van de publieke ruimte samen in een zorgvuldig gefaciliteerd proces. Laat hen zelf een plan maken voor het plein. Niet een advies dat in een lade verdwijnt, maar een bindend engagement, ondersteund door middelen.

Eigen kracht is geen romantisch begrip. Het is een praktische methode die verantwoordelijkheid teruglegt waar ze hoort: bij de gemeenschap zelf, mét structurele ondersteuning.

Veiligheid door verbondenheid

Echte veiligheid ontstaat niet uit permanente controle, maar uit verbondenheid. Een plein waar mensen elkaar kennen, waar kwetsbaren niet worden weggeduwd maar begeleid, waar ondernemers zich gesteund voelen door hun buurt, is een plein waar overlast minder kans krijgt om zich vast te zetten.

Dat vraagt tijd. Het vraagt vertrouwen. En het vraagt politieke moed om te erkennen dat sommige problemen niet opgelost worden door harder op te treden, maar door dieper te investeren.

Van incident naar transitie

Antwerpen-Noord staat symbool voor een bredere stedelijke uitdaging. Blijven we incidenten managen met telkens dezelfde instrumenten? Of durven we kiezen voor een structurele transitie naar commons-based stadsontwikkeling?

De kiemen zijn er al. In 2060 wordt elke dag gewerkt aan solidariteit, ontmoeting en gedeeld beheer. Wat ontbreekt, is niet initiatief van onderuit. Wat ontbreekt, is een stadsbestuur dat die initiatieven centraal zet in plaats van ze als aanvulling te beschouwen.

Misschien moeten we stoppen met vragen waarom het plein niet “onder controle” geraakt. En beginnen met de vraag wie het plein eigenlijk draagt.

Antwerpen-Noord heeft geen strengere hand nodig. Het heeft sterkere handen nodig — samen.

Koen Wynants

Meer dan een bedankje. Over waardering, engagement en commons #weekvandevrijwilliger

De Week van de Vrijwilliger is elk jaar opnieuw een warm moment. We zetten mensen in de bloemen, spreken onze dank uit en maken zichtbaar hoeveel engagement er leeft. Dat is waardevol. Rituelen van erkenning doen ertoe. Ze versterken verbondenheid en laten zien dat inzet gezien wordt.

En toch nodigt zo’n week ook uit tot een bredere reflectie.

Vrijwilligers dragen vandaag een groot deel van onze sociale en ecologische infrastructuur. Ze ondersteunen buurten, verenigingen, kennisplatformen, natuurgebieden en zorginitiatieven. Vaak gaat het om werk dat niet onmiddellijk zichtbaar is: organiseren, luisteren, modereren, herstellen, verbinden. Zonder deze inzet zouden veel initiatieven eenvoudigweg niet bestaan.

De vraag is dan niet of we voldoende dankbaar zijn. De vraag is hoe we die dankbaarheid vertalen in duurzame structuren.

Binnen een commons-perspectief kijken we anders naar engagement. We zien vrijwilligers niet alleen als helpende handen, maar als mede-beheerders van iets wat van ons allemaal is. Ze dragen zorg voor gedeelde hulpbronnen — kennis, gemeenschap, biodiversiteit, publieke ruimte. Hun bijdrage is geen randactiviteit, maar een essentieel onderdeel van het voortbestaan van die commons.

Dat vraagt om waardering die verder gaat dan symboliek. Een attentie of een feestmoment is een mooi begin, maar duurzame waardering betekent ook:

  • betrokkenheid bij besluitvorming

  • transparantie over middelen en keuzes

  • ondersteuning en vorming

  • aandacht voor werkdruk en grenzen

  • ruimte om mee richting te geven

Daarnaast mogen we ook de vraag naar inclusiviteit niet uit de weg gaan. Vrijwillige inzet veronderstelt tijd en ruimte. Niet iedereen beschikt daar in gelijke mate over. Als we commons werkelijk open en gedeeld willen houden, moeten we nadenken over hoe engagement toegankelijk kan blijven voor een diverse groep mensen. Dat kan gaan over praktische ondersteuning, onkostenvergoedingen, flexibele rollen of nieuwe vormen van samenwerking.

Een Week van de Vrijwilliger kan dan meer zijn dan een moment van vieren. Het kan ook een moment van gezamenlijk leren zijn. Wat hebben vrijwilligers nodig om duurzaam betrokken te blijven? Hoe maken we onzichtbare arbeid zichtbaar? Hoe zorgen we ervoor dat zorg voor het gemeenschappelijke niet vanzelfsprekend wordt, maar erkend en gedragen?

Waardering is uiteindelijk geen gebeurtenis, maar een cultuur. Een cultuur waarin engagement niet als extra wordt gezien, maar als fundament. Waar mensen die bijdragen zich niet alleen bedankt voelen, maar ook gehoord, ondersteund en mede-eigenaar van het geheel.

Misschien ligt daar de uitnodiging: om van een week van waardering een jaarpraktijk van zorg te maken. Voor de commons, en voor de mensen die ze mogelijk maken.

OpinieKoen Wynants
COMMONING-FRIDAY DEALS? Kies voor sociale winst!

📸 - Dercvdputten - Zwaluweveld (archieffoto)

Black Friday en eigenlijk de hele eindejaarsperiode is hét moment waarop consumenten wereldwijd verleid worden om massaal spullen te kopen. Maar heb je dat extra gadget écht nodig? Dit jaar dagen we je uit om het anders aan te pakken: investeer je geld in initiatieven die bijdragen aan een betere samenleving en een duurzamere planeet. Zo maak je een bewuste keuze die niet alleen jou, maar ook de gemeenschap en natuur ten goede komt.

Ga vooral zelf op onderzoek uit waar in je buurt er een waardevol commons-initiatief is dat je kan ondersteunen. Toch nog niets gevonden? Hier zijn enkele inspirerende projecten die momenteel jouw steun goed kunnen gebruiken:

  1. Het Zwaluweveld
    Dit gemeenschappelijk permacultuurproject en voedselbos in Scherpenheuvel-Zichem wil 3,7 hectare vrij aankopen. Met jouw bijdrage helpen ze biodiversiteit en menselijke warmte te verbinden. Het Zwaluweveld wordt nu al gedragen door 60 coöperanten, 507 aandelen werden reeds aangekocht, 160 aandelen zoeken nog een eigenaar. Ze hebben nog tot eind december de tijd om dit waar te maken! Het Zwaluweveld krijgt trouwens de hulp van Wel Daarom cvso een coöperatie die zich inzet om gronden vrij te kopen. Want: “Onverdeeld is de aarde van iedereen!”. Het Zwaluweveld volgen we bij Commons Lab al een tijdje, hier lees je het verhaal van de opstart van hun common.

    👉 Meer weten of meteen het project steunen

  2. Studijo Bos
    Een plek waar kinderen op een inclusieve manier kunnen bijleren via cultuur, natuur en avontuur. Dit is meer dan investeren in een project – het is investeren in de toekomst van kinderen en in een inclusieve maatschappij.
    👉 Ontdek Studijo Bos

  3. Buiten Gewoon Grondig vzw
    Deze plukweide en zorgboerdrij in Wilrijk biedt een veilige plek voor mensen met autisme, maar dreigt hun gronden voor de bloemenweide te verliezen. De stad Antwerpen wil het stuk grond, dat eigendom is van een kerkfabriek is, openbaar laten verkopen. Aan de hoogste bieder dus, niet aan het waardevolle sociaal project. Hier dreigt de enclosure van gemeenschappelijke grond! Jouw steun kan helpen om deze plek te behouden. Time to re-common!
    👉 Lees meer en steun de crowdfunding

  4. Dhage
    In het West-Vlaamse dorp Reningelst ligt een weide van 2 ha in het midden van de dorpskern. Dhage, is de coöperatie die deze mooie, groene plek wil vrijwaren van bouwpromotoren. "Op 14 januari ligt de aktedatum bij de notaris vast. We hopen voor de helft eigenaar van de weide te worden. Om de verkoop te kunnen laten doorgaan hebben we op dit eigenste moment nog 13.800 euro oftewel 11 aandelen nodig." Help deze eeuwenoude weide in Reningelst te bewaren als waardevolle open groene ruimte.
    👉 Bekijk hoe je kan helpen

  5. De Woongenoten
    De Woongenoten uit Boechout willen samen woningen kopen, opknappen en verhuren via sociale organisaties aan mensen in een kwetsbare situatie. Want wonen is een mensenrecht! Je kan helpen door aandelen te kopen, giften te doen. “Maar je kan ons ook mee helpen zoeken naar geschikte panden in de Zuidrand van Antwerpen. We mikken vaak op panden die nog niet publiek te koop staan.”
    👉 Investeer in De Woongenoten of lees ons commons-portret over de woongenoten

  6. Coöperatieve initiatieven en groepsaankopen
    Hierboven je ding nog niet gevonden? Je kan ook lid of coöperant worden van van interessante coöperaties zoals CoopCentraal (een democratische supermarkt) of wooncoop c.v. (collectief wonen). In Antwerpen-Noord kan ook de werking van Fundament2060 én lokale producenten steunen door mee te doen met de groepsaankopen via Coop2060.

Waarom kiezen om te investeren commons?

Bij al deze initiatieven investeer je niet in kortstondig plezier, maar in blijvende sociale winst. Of het nu gaat om een aandeel, een gift ter waarde van dat Black Friday-gadget dat je bijna had gekocht, of simpelweg het delen van dit artikel – elke bijdrage helpt om samen te bouwen aan een rechtvaardige en veerkrachtige samenleving.

Voel je de drang om vandaag ‘iets’ te kopen? Maak er iets betekenisvols van!