Wanneer burgers het gat dichten: commons tussen zorg en besparingslogica

Overal duiken ze op: burgercollectieven die natuur herstellen, kennis delen, zorg organiseren, voedsel produceren of publieke ruimte beheren. Ze ontstaan vaak vanuit dezelfde ervaring: iets wat essentieel is voor het gemeenschappelijke leven staat onder druk, en niemand lijkt het echt op te nemen. Dus doen mensen het zelf. Ze organiseren zich, delen kennis, mobiliseren vrijwilligers en bouwen stap voor stap aan een commons — een gedeelde hulpbron die ze samen beheren en beschermen.

Dat is de kracht van commons. Waar systemen vastlopen, ontstaat initiatief. Waar publieke structuren tekortschieten, bouwen mensen nieuwe vormen van samenwerking. Commons tonen dat burgers niet alleen consumenten van publieke diensten zijn, maar ook mede-dragers van het gemeenschappelijke. Ze maken zichtbaar hoeveel zorg, organisatie en creativiteit er in een samenleving aanwezig is.

Maar precies daar zit ook een ongemakkelijk spanningsveld.

Veel commonsinitiatieven bewegen zich rond domeinen die traditioneel tot de kerntaken van de overheid behoren: natuurbeheer, sociale infrastructuur, kennisdeling, cultuur, zorg voor publieke ruimte. Wanneer burgers die rollen beginnen op te nemen, kan dat op twee manieren gelezen worden. Enerzijds als een krachtige vorm van democratische zelforganisatie. Anderzijds — en dat is het ongemakkelijke deel — kan het perfect passen in een politieke logica die publieke verantwoordelijkheid wil afbouwen.

De redenering is eenvoudig: als burgers het toch zelf doen, waarom zou de overheid dan nog investeren?

Zo dreigt het engagement van commoners onbedoeld in de slipstream te belanden van een besparingspolitiek die publieke diensten stap voor stap uitholt. De zorg voor het gemeenschappelijke wordt dan verschoven van collectief gefinancierde structuren naar vrijwillige inzet. Wat begint als emancipatie kan zo eindigen als normalisering van structurele onderfinanciering.

Voor veel commoners voelt dat als een fundamenteel dilemma. Ze willen niet passief toekijken terwijl publieke goederen achteruitgaan. Hun betrokkenheid komt net voort uit zorg voor het gemeenschappelijke. Maar tegelijk willen ze niet dat hun inzet gebruikt wordt als argument om publieke verantwoordelijkheid verder af te bouwen.

Met andere woorden: ze willen het gat dichten, maar niet dat het gat daardoor permanent wordt.

Dit spanningsveld vraagt om een scherpere manier van kijken naar de relatie tussen commons en overheid. Commons zijn geen goedkope vervangers voor publieke diensten. Ze zijn ook geen hobbyprojecten aan de rand van het systeem. Ze vormen een eigen manier van organiseren rond gedeelde hulpbronnen: zelfgeorganiseerd, relationeel, lokaal verankerd en vaak experimenteel.

Maar precies daarom hebben commons een publieke context nodig die hen ondersteunt in plaats van instrumentaliseert. Niet een overheid die zich terugtrekt omdat burgers het wel oplossen, maar een overheid die erkent dat commons waarde creëren en die daarvoor ruimte, middelen en bescherming biedt. In plaats van taken af te schuiven, kan de overheid partnerschap aangaan met gemeenschappen die al verantwoordelijkheid opnemen.

Commons laten zien dat zorg voor het gemeenschappelijke niet alleen van bovenaf georganiseerd kan worden. Maar ze tonen ook dat een samenleving niet kan draaien op vrijwillige inzet alleen. Wanneer burgers zich organiseren rond biodiversiteit, zorg, kennis of publieke ruimte, doen ze dat niet omdat ze geloven dat de overheid overbodig is. Ze doen het omdat ze geloven dat het gemeenschappelijke te belangrijk is om te laten verdwijnen.

De echte vraag is dus niet of burgers zich moeten engageren. Dat doen ze al. De vraag is wat er gebeurt wanneer ze dat doen. Wordt hun engagement een excuus om publieke verantwoordelijkheid af te bouwen? Of wordt het een uitnodiging om die verantwoordelijkheid opnieuw vorm te geven — samen met de gemeenschappen die het gemeenschappelijke al dragen?

Commons beginnen vaak waar systemen falen. Maar hun ambitie is groter dan dat. Ze herinneren ons eraan dat het gemeenschappelijke niet alleen beschermd moet worden, maar ook gedeeld — in verantwoordelijkheid, in zorg en in macht. Dat is geen vervanging van het publieke, maar een kans om het te heruitvinden.

OpinieKoen Wynants