Bezoek 'Het Voedselbos' - 17 september 2022

Zaterdag 17 september startte regenachtig, maar dat ‘slechte’ weer weerhield niet dat we met zo’n 25-tal voedselbossers samentroepten onder de koffieluifel van ‘Het Voedselbos’ in Nokere voor een heldere introductie in hun voedselbossysteem. 

Bert nam ons mee in de wondere wereld van de climaxvegetatie, stikstofbindende planten en bomen, meerjarige vaste planten. De verschillende lagen waaruit een systeem van het voedselbos bestaat. De arbeidsintensiviteit van het oogsten, het samenwerken, het delen van de arbeid en de oogst. Het nabootsen en creëren van een bos voor voedselproductie zorgt er immers voor dat het zelfvoorzienend is voor de voeding van de planten, waterhuishouding, het onder controle houden van plagen, ...  [lees verder onder de foto]

In de namiddag, na een potluck-lunch, ging we verder in op hoe we voedselbossen kunnen beheren als een common. Hiervoor gingen we aan de slag met de principes die Elinor Ostrom formuleerde for governing the commons en pasten ze toe op de initiatieven van de deelnemers. 

  1. Duidelijke definities van wat de gemeenschappelijke middelen zijn en wie de gebruikers zijn 

  2. De regels zijn geschreven op de lokale situatie 

  3. Gemeenschappelijke besluitvorming door de bezitters 

  4. Zorg dat de gemeenschappelijke zeggenschap erkend wordt door de autoriteiten en overheden buiten de groep 

  5. Er is een systeem om het gedrag van elke gebruiker te monitoren 

  6. Er zijn steeds zwaarder wordende sancties voor diegenen die de regels overtreden 

  7. Goedkope en laagdrempelige arbitrage bij geschillen 

  8. Voor grootschalige commons bronnen een gelaagd systeem met lokale groepen 

Afsluiten deden we met samen den afwas te doen! 

Merci Bert en alle andere aanwezigen, tot binnenkort! 

Kader 

Dit bezoek kaderde in het fruitige voedselbosproject, met de steun van LEADER Hageland+, geven Avansa Oost-Brabant, Velt, Natuurpuntacademie, Regionaal landschap Zuid-Hageland en Commonslab, de komende twee jaar de voedselbosbeweging een duwtje in de rug. 

Hoofddoel is om op vier plekken in het Hageland een nieuw lokaal gedragen voedselbos tot stand te brengen. Daarnaast wordt getimmerd aan een lerend netwerk om fruitige kennis op te doen en te delen. Check deze pagina geregeld voor activiteiten en verhalen: https://commonslab.be/experimenten/fruitige-voedselbossen-hageland - https://avansa-oostbrabant.be/projecten/fruitige-voedselbossen  

In samenwerking met: 

Hoe maak je van een tuinstraat een inclusiever verhaal?

Eén van de grote pijnpunten binnen de klimaatbeweging en binnen collectieve organisaties blijft de beperkte heterogeniteit van de leden. Hoewel kwetsbare groepen het meeste baat zouden hebben, blijft het initiatief en de toegang voorlopig beperkt tot hooggeschoolde middenklasse gezinnen. Maar geldt dat ook voor de ‘bottom-up’ Tuinstraten? Anneleen van Comité Bump bracht op de ‘Inspiratiedag Tuinstraten’ op 14 oktober 2022 een realistische getuigenis over hoe samen een tuinstraat maken en vooral de verbondenheid onder buren die daaruit voortvloeide, zorgde voor een enorm sterk sociaal weefsel in de straat. De meest kwetsbare buurtbewoners worden dankzij die verbondenheid ondersteund door hun actieve buren. Haar volledige getuigenis leest u hier.

“Ik ben Anneleen. Ik woon in de Pieter Génardstraat op het Kiel, en 5 jaar geleden mocht onze straat voor 6 weken experimenteren met een tuinstraat.

© Comité Bump

 Bedoeling van die tuinstraat was vergroening, vertraging van het verkeer, meer speelruimte voor de kinderen creëren. Maar, daarnaast was het ook belangrijk zo veel mogelijk straatbewoners mee te krijgen in dat verhaal, om inclusief te werk te gaan.

 En het zijn die ervaringen rond inclusie die ik vandaag graag met jullie wil delen. Kleine noot: als ik zeg ervaringen, dan komt daar ook de nodige subjectiviteit bij kijken. Een andere bewoner of een ander lid van ons burencomité zou dat anders ervaren kunnen hebben. Maar terug naar inclusie.

Om een zo volledig mogelijk beeld te geven zou ik graag 3 aspecten willen toelichten:

  1. In eerste instantie: de context – in wat voor straat wonen we – in welke context brachten we die tuinstraat tot stand

  2. Hoe hebben we geprobeerd inclusief te werk te gaan

  3. En tot slot: Waar heeft die aanpak toe geleid. Welke uitdagingen kwamen we tegen en van welke successen kunnen we spreken.

 

Dus om te beginnen met de context, even een korte schets van onze straat:

  • De Pieter Génardstraat maakt deel uit van de Antwerpse buurt: Kiel. Dat is eenvolkse, heel diverse buurt, en bijgevolg is onze straat ook zeer divers.

  • We telden in 2017 zo’n 15 nationaliteiten en ongeveer evenveel talen

  • Bij die uiteenlopende nationaliteiten hoort ook vaak een andere religieuze of culturele achtergrond.

  • Er is daarnaast ook een grote generationele verscheidenheid: de oudste bewoners waren eind 80, begin 90, maar er wonen ook heel veel jonge kinderen in de straat

  • tot slot is de ook socio-economische achtergrond is ook zeer verschillend

Al deze elementen komen vaak ook nog eens in allerlei combinaties voor, wat maakt dat je met uiteenlopende noden en mogelijkheden moet rekening houden.

[Lees verder onder de foto]

Hoe hebben we inclusie in die context benaderd? 

In retrospect waren de kernbegrippen volgens mij laagdrempeligheid en het actief stimuleren van participatie (najagen eigenlijk).

  • we investeerden heel veel tijd in de relatie met de bewoners

  • zo gingen we heel vaak van deur tot deur: om bewoners persoonlijk uit te nodigen, met de vraag hoe zij zo’n straat zagen, hoe ze wilden meewerken. Ik kan eigenlijk niet genoeg benadrukken hoe belangrijk het is om binnen zo’n participatieproject persoonlijk contact te maken, zeker in het begin. Door een briefje in de bus voel je je niet altijd aangesproken, door iemand die je persoonlijk komt uitleggen wat je wil doen en waarom het belangrijk is, vaker wel.

  • We communiceerden in meerdere talen, niet in alle 15. Maar volgens mij was dat wel een cruciaal element. Participeren is niet mogelijk als je niet eens begrijpt waarover het gaat.

  • We vergaderden vaak op straat. Bewoners kwamen zo uit nieuwsgierigheid wel eens kijken en voor ze het zelf goed beseften namen ze dan actief deel aan een vergadering

  • Beslissingen probeerden we altijd met een meerderheid te nemen, mensen daar ook over te bevragen en op die manier dus ook rekening te houden met de mening van de bewoners

  • En tot slot, niet onbelangrijk: de kinderen kregen inspraak over de activiteiten en inrichting. Een autovrije straat midden in de vakantieperiode is een plek die snel wordt ingenomen door spelende kinderen. 

Dat brengt mij bij het laatste punt: Waar hebben onze inspanningen toe geleid. Met welke uitdagingen kregen we te maken en welke successen waren er.

Ik denk dat andere burgerinitiatieven misschien wel kunnen bevestigen dat het sowieso eenuitdaging is om mensen mee te krijgen in zo’n project. Zeker in de zin dat ze zich er mee eigenaar van voelen.

Volgens mij zagen we daarbinnen enerzijds een groep mensen die in principe zou kunnen deelnemen, maar dat om een of andere gerechtvaardigde reden niet wil. Het kan zijn dat zegeen interesse hebben, er geen behoefte aan hebben of zelfs angst hebben voor veranderingen. Uit die hoek kregen we trouwens wel wat met weerstand te maken. Natuurlijk, als je participatief te werk wil gaan, dan horen die tegenstemmen er uiteraard ook bij.

 

Anderzijds heb je een groep mensen die gewoonweg niet de luxe heeft om na te denken over vergroening of verblauwing. Mensen die voortdurend in onzekerheid leven over  hun inkomen, of ze hun gezin te eten kunnen geven, hun rekeningen nog kunnen betalen of nog degelijk onderdak zullen hebben.

Die groep is in onze straat, maar vooral in de bredere buurt, wel sterk aanwezig.

We kennen heel veel gezinnen die het gewoon moeilijk hebben. Die met meerdere kinderen op 1-slaapkamerappartementjes wonen. Mensen die in gebouwen wonen die zich in bedenkelijke staat bevinden, en daar vaak in verhouding veel voor moeten betalen. We kennen mensen die hun gezin moeten onderhouden met onzekere en slecht betaalde jobs.  Die mensen blijven ook niet altijd lang genoeg op dezelfde plaats wonen, wat velen van hen ook wat onzichtbaar maakt.

Eén zo’n gezin bleef voor ons niet onzichtbaar, omdat we de kinderen op straat leerden kennen. Ik noem ze voor hun privacy even Mia en Younes. Toen we hen leerden kennen moeten zij 6 en 8 geweest zijn. Het viel al snel op dat ze de hele dag alleen op straat doorbrachten, tot 23u ’s avonds wanneer de vader terug kwam van zijn werk. Het gebeurde wel eens dat de kinderen geen sleutel hadden en overdag gewoon niet binnen konden. Het was duidelijk dat het gezin het financieel moeilijk had, en heel wat problemen had als gevolg daarvan. Vorig jaar werden ze dan uiteindelijk uit hun appartement gezet, wat voor hen niet de eerste keer was.

Ik denk dat het voor zich spreekt dat vergroening geen prioriteit is voor mensen die zich dagelijks zorgen moeten maken over primaire behoeften.

Ik zou dus niet durven te stellen dat we met onze aanpak écht inclusie bereikt hebben, dat we echt een straat van iedereen voor iedereen bereikt hebben. Ik denk dat die sociale ongelijkheid daartoe een obstakel is, een obstakel dat we als gewone burgers/buren niet kunnen wegwerken. 

Maar dat neemt niet weg zo’n project wel heel mooie dingen teweeg kan brengen, ook met die mensen die geen eigenaarschap kunnen opnemen in het verhaal. 

  • het heeft ervoor gezorgd dat buren elkaar hebben leren kennen. Dat proberen we ook in stand te houden door meerdere feestmomenten te organiseren om mensen samen te brengen.

  • het vertrouwen dat er ontstond, maakte dat bewoners hulpvragen durfden stellen. Zo was er een jong koppel Syrische vluchtelingen, die al een tijdje in onze straat woonden, geïsoleerd eerder, die door de tuinstraat een heel sociaal netwerk hebben opgebouwd van mensen die hen op de een of andere manier konden verder helpen.

  • we probeerden ook echt in te gaan op de noden die zichtbaar werden. Een mooi initiatief dat uit de tuinstraat is voortgekomen, was een wekelijks taaluurtje waarbij we samen aan de keukentafel Nederlands oefenden met buren die dat nodig hadden.

  • sommige bewoners hebben een zorgende rol opgenomen voor hun oudere buren. We leerden via de tuinstraat Adriaan kennen, toen onze oudste straatbewoner. En al snel hadden we een reservesleutel van zijn huis, om binnen te kunnen in noodgevallen. We gingen hem helpen wanneer hij dat vroeg, of gingen gewoon langs voor een babbeltje, we vierden zijn – ik denk 94ste verjaardag samen, … in 2019 overleed hij helaas. Maar met zijn dochter hebben we regelmatig nog contact, en zij benadrukt ook vaak nog hoezeer het voor haar een geruststelling was dat haar vader op hulp uit de straat kon rekenen.

Kortom: een socialere, zorgzamere straat, warmere straat, hebben we volgens mij wél bereikt. Ik durf zelfs te stellen dat we de verbondenheid die we vandaag in onze straat kennen, volledig te danken hebben aan het intensieve engagement dat die tuinstraat was.

Bij wijze van conclusie, en misschien ook aanzet tot debat, denk ik dat we dan ook bij onszelf moeten nadenken over wat we met zo’n tuinstraat willen. Als je verbinding in een straat wil creëren, dan denk ik dat ons voorbeeld alvast leert dat een tuinstraat daarvoor een goede katalysator is. Maar zie je het groter, wil je dat burgers via tuinstraten het heft in eigen handen nemen om klimaatadaptatie en –transitie te versnellen (verantwoordelijkheid nemen voor klimaatadaptatie en –transitie), dan stel ik me de vraag hoeveel burgers dat effectief kunnen en of sociaal kwetsbare straten of buurten op die manier niet zullen achterblijven.”


© Comité Bump

VerslagJoppe Ruts
Alternatieve septemberverklaring 2022

Hoe anders zou de septemberverklaring klinken als deze focuste op burger en planeet? Ook in 2022 lanceert Hart Boven Hard een alternatieve septemberverklaring. Dit jaar focussen ze op energie. Deze crisis moet gezien worden als een kantelpunt, die zal zorgen voor een globale transitie van winst naar waarde!

Deze boodschap werd samen gevormd met vele partners uit het middenveld en onderschreven door Fairfin, Reset Vlaanderen, Climate Express, Climaxi, Grootouders voor het Klimaat, Commons lab vzw, Wij betalen niet en Move your Money.

Koen Wynants
De CLT in Leuven is opgericht

Op 29 september 2022 werd de CLT in Leuven opgericht. De 32 stichtende leden kwamen samen om de statuten te ondertekenen en de bestuursleden aan te stellen. De CLT is in de eerste plaats een netwerkorganisatie die mensen en organisaties in verbinding brengt om samen betaalbare woonprojecten in Leuven mogelijk te maken op een gedeelde lap grond. De stichtende leden van de vzw zijn juristen, sociale en/of culturele organisaties die vaak met de doelgroep in aanraking komen of deze vertegenwoordigen, de overheid, kennisinstellingen, denktanks, consultants, financiële instellingen en bouwprofessionals; een bonte combinatie van doeners en denkers.

Voor de toekomstige bewoners kunnen aangesteld worden in he bestuursorgaan, moet er eerst werk gemaakt worden van een toewijsreglement. Tot dan worden potentieel geïnteresseerde bewoners maximaal betrokken via participatiemomenten. We hopen op de volgende Algemene Vergadering ook toekomstige bewoners op te nemen in het ledenbestand en aan te stellen in het bestuursorgaan. Wil je zelf vorm geven aan de vzw? Kom dan naar een participatiemoment. Schrijf je in op onze nieuwsbrief en wordt als eerste op de hoogte gehouden van wanneer deze plaatsvinden!

De prioritaire taken van het bestuursorgaan zullen zijn:

  • het bepalen van de missie en visie van de organisatie

  • de opmaak van het toewijsreglement

  • het onderzoeken van de nodige financieringsmiddelen en subsidies

  • de opmaak van een sociaal ondernemingsplan en de doorverkoopformule

  • het aanstellen van het ontwerpteam voor de pilootsite

  • het oprichten van de stichting voor het beheer van de gronden

  • de oprichting van een coöperatie voor het beheer van andere onroerende goederen (woningen en/of gemeenschapsfuncties) die ingezet kunnen worden voor de verhuur

Voor Commons Lab zal Sarah Martens de vzw vertegenwoordigen in de Algemene Vergadering van CLT Leuven.

Koen Wynants
Commons en Degrowth (Omrijk, De Transformisten)

Wat is commoning? En hoe kun je commons linken aan genoeg of ontgroei? Rond die vragen draaide de Commons Lab workshop op Omrijk

Omrijk workshop commoning door Commons Lab ism Bright Futures en de beek - Foto Sien Verstraeten

Tijdens Omrijk 24-26 juni 2022 in Domein Roosendael organiseerde Commons Lab een workshop over commoning.

Koen Wynants en Elisabeth Hirner van Commons Lab legden uit wat commoning betekent. Dat deden ze samen met commoners Rik Verschueren van Buitenkans en Bright Futures cv (beheerder van gemeenschapsgrond in het hart van het Merode-gebied) en Martine Willems van Voedselcollectief de beek. In een geanimeerd gesprek met de deelnemers aan de workshop zocht Commons Lab ook de link met het kernthema van Omrijk: genoeg.  

Dirk Holemans van denktank Oikos nam deel aan de workshop. Meteen daarna schreef hij een korte reflectie voor de Omrijk gazet

 

COMMONS EN DEGROWTH

Samen de toekomst vormgeven. Een samenleving die goed genoeg is voor iedereen

Door Dirk Holemans

Commons, dat zijn een groep burgers die samen zorgzaam een goed beheren of produceren. Een manier van organiseren die eeuwenoud is, en nu weer overal opduikt. Burgers die een stuk land gezamenlijk beheren, of een energiecoöperatie oprichten omdat ze zelf groene stroom willen produceren, en zorg voor elkaar en de planeet cruciaal vinden.

Degrowth, dat is het inzicht dat een economie niet kan blijven groeien op een eindige planeet, dat we nu al de draagkracht van de planeet overschrijden. Dus is de opdracht om iedereen zicht te geven op een goed leven, terwijl we de doorstroom van energie en materialen in onze samenleving drastisch reduceren. En dat kan met concrete maatregelen: denk aan een kortere werkweek, of aan spullen die dubbel zo lang meegaan zodat we maar de helft aan grondstoffen nodig hebben.

Een degrowth economie vergt een type economische situaties die de behoeften van mensen willen voldoen, in plaats van de huidige bedrijven gefocust op korte termijn winsten en de belangen van de aandeelhouders. Naast de versterking van publieke diensten kunnen commons een cruciale rol spelen in de uitbouw van een degrowth economie. Een sterk voorbeeld zijn energiecoöperatie zoals Ecopower. Zij produceren met eigen windmolens rechtstreeks elektriciteit voor hun coöperanten, zonder dat er veel marktwerking aan te pas komt. En nog straffer: ze informeren en moedigen hun coöperanten concreet aan om zo weinig mogelijk stroom te verbruiken (dat ligt wel even anders bij de klassieke energiebedrijven, die hun aandeelhouders op de beurs tevreden moeten stellen). Zo ligt het doorsnee verbruik van een Ecopower gezin beduidend lager dan een gemiddeld Belgisch gezin. Deze commons-coöperaties investeren bovendien een deel van de winst in de gemeenschap, zodat iedereen er beter van wordt.

Vanzelf zal het niet gaan

Een cruciale bijdrage van commons is dat ze een deel van de economie uit de markt halen. Dat zie je bijvoorbeeld ook in de landbouw met initiatieven als De Landgenoten, die landbouwgrond uit de speculatieve markt halen om die dan ter beschikking te stellen aan bioboeren. Of denk aan wooncoöperaties, die gebouwen uit de crazy woonmarkt halen en hun coöperanten woonzekerheid voor de rest van hun leven tegen een betaalbare prijs garanderen.

In die zin is het eigenlijk niet zo moeilijk om een degrowth economie uit te tekenen. Maar het gaat wel frontaal in tegen de gevestigde belangen en machtsverhoudingen. Dus vanzelf zal het niet gaan - net als in de 19de eeuw komt emancipatie niet vanzelf, maar is het resultaat van sociale strijd die we samen voeren. The time is now.

 

Lees meer 

Na Omrijk schreven Dirk Holemans van denktank Oikos en Koen Wynants van Commons Lab samen een opinie voor Knack magazine over de nieuwe economie die we nodig hebben en de rol die commons daarin kunnen spelen: 'Duurzame tijden vragen andere bedrijven' (gepubliceerd op Knack.be 12 juli 2022)

Goed nieuws: burgers zijn het nieuw type bedrijf voor duurzame tijden al volop aan het installeren

Het besluit:
"De nieuwe economie die we nodig hebben heeft als eerste taak om in de basisbehoeften van iedereen te voldoen, binnen de grenzen van de planeet. Dat vergt een economie die in plaats van steeds meer te produceren en consumptie aan te wakkeren, wil zorg dragen. Dat betekent de leefomgeving herstellen en zorgen dat we onze economie volhoudbaar wordt. Het goede nieuws is dus dat burgers het nieuw type bedrijf voor deze duurzame tijden al volop aan het installeren zijn. Het kan de basis zijn van een echt duurzame economie."

 

Project Omrijk

Omrijk is een initiatief van De Transformisten opgezet in nauwe samenwerking met Commons Lab, Onbetaalbaar, Pulse Transitienetwerk, Sídhe en De Stuyverij; met steun van de Vlaamse overheid.

Omrijk workshop commoning door Commons Lab ism Bright Futures en de beek - Foto Sien Verstraeten

Omrijk workshop commoning door Commons Lab ism Bright Futures en de beek - Foto Sien Verstraeten

Koen Wynants
FINANCIERINGSMODEL VOOR REGENERATIEVE LANDBOUW -LENTELAND

Samen met boeren en burgers start Lenteland regeneratieve boerderijen en maakt de stichting bezit van grond weer onderdeel van de gemeenschap. In dit filmpje leggen ze uit waarom en hoe ze dat doen.

Lenteland heeft ook een eerste regeneratieve boerderij opgestart in Vlaanderen, zie Strackxhoeve – Regeneratieve gemeenschapsboerderij

Deze film werd gemaakt door Rik van der Linden van FirmaFilm. De tekeningen zijn van Bord&Stift.

Koen Wynants
Duurzame tijden vragen andere bedrijven (opiniestuk Dirk Holemans & Koen Wynants, Knack)

De nieuwe economie die we nodig hebben heeft als eerste taak om in de basisbehoeften van iedereen te voldoen, binnen de grenzen van de planeet’, schrijven Dirk Holemans van Oikos en Koen Wynants van Commons Lab. ‘Dat vergt een economie die in plaats van steeds meer te produceren en consumptie aan te wakkeren, wil zorg dragen.’

Lees het volledige opiniestuk via de website van Knack

Dit opiniestuk kwam tot stand tijdens en na het Omrijk Festival.

‘De nieuwe economie die we nodig hebben heeft als eerste taak om in de basisbehoeften van iedereen te voldoen, binnen de grenzen van de planeet’, schrijven Dirk Holemans van Oikos en Koen Wynants van Commons Lab. ‘Dat vergt een economie die in plaats van steeds meer te produceren en consumptie aan te wakkeren, wil zorg dragen.’

Het is een inzicht dat we niet langer kunnen negeren: de economie kan niet blijven groeien op een eindige planeet. Die illusie van oneindige groei heeft ons gebracht in de huidige instabiele, gevaarlijke situatie: we hebben de natuurlijke processen ontwricht die zorgden voor een stabiel levensklimaat, met gematigde temperaturen, zuiver water, enz. Dat de draagkracht van de aarde overschreden is, zien we nu elke dag met wereldwijd steeds meer hittegolven, bosbranden, orkanen en overstromingen.

Maar Welvaart zonder Groei, zoals de Britse denker Tim Jackson het al meer dan tien jaar geleden omschreef in zijn bestseller, is voor veel economen en opiniemakers nog altijd moeilijk denkbaar, want het staat haaks op het dominante denken.  Maar ontgroeien (ook wel omschreven als degrowth) is net wat we nodig hebben voor een leefbare toekomst. Het is een positieve toekomstvisie, die ernaar streeft de doorstroom van energie en materialen drastisch reduceren, terwijl we net iedereen op aarde zicht kunnen geven op een goed leven. Misschien ligt de grootste bron van weerstand tegen deze toekomst wel dat het frontaal ingaat tegen de gevestigde belangen en machtsverhoudingen.

Een ontgroei-economie vergt een type economische instituties dat zich als doel stelt de behoeften van mensen te willen voldoen, in plaats van de huidige bedrijven met hun focus op kortetermijnwinsten en de belangen van de aandeelhouders. Dat vergt een grondig herdenken van hoe we de samenleving organiseren.

Een eerste herijking is de herwaardering van publieke diensten, zoals het openbaar vervoer, om te komen tot een duurzaam mobiliteitssysteem. Maar ook burgers die zichzelf organiseren in zogenaamde commons kunnen een cruciale rol spelen in de uitbouw van een toekomstgerichte economie. Commons, dat zijn een groep burgers die samen zorgzaam een goed beheren of produceren. Een manier van organiseren die eeuwenoud is, en nu terug overal opduikt. Denk aan burgers die een stuk land gezamenlijk beheren, samen een co-housing project realiseren, of een energiecoöperatie oprichten omdat ze zelf groene stroom willen produceren, en telkens hierbij zorg voor elkaar en de planeet cruciaal vinden.

Een sterk voorbeeld zijn energiecoöperaties zoals Ecopower. Zij produceren voor het grootste deel met eigen windmolens rechtstreeks elektriciteit voor hun coöperanten, zodat ze weinig afhankelijk zijn van de grillen van de energiemarkt. En nog straffer: ze informeren en moedigen concreet hun coöperanten aan om zo weinig mogelijk stroom te verbruiken. Dat ligt wel even anders bij de klassieke energiebedrijven, die zoveel mogelijk stroom wille verkopen om hun aandeelhouders op de beurs tevreden te stellen.

Zo ligt het doorsnee verbruik van een Ecopower gezin beduidend lager van een gemiddeld Belgisch gezin (gemiddeld 2000 kWh, het Vlaamse gemiddelde is 3500). Deze commons-coöperaties investeren bovendien een deel van de winst in de lokale gemeenschap. In plaats van de dominante extractieve economie – die de geproduceerde meerwaarde uit een plek of gemeenschap weghaalt – is er sprake van een generatieve economie, die verschillende vormen van meerwaarde voor de gemeenschap genereert.

Een cruciale bijdrage van commons is dat ze een deel van de economie uit de markt halen. Dat zie je bijvoorbeeld ook in de landbouw met initiatieven als De Landgenoten, die landbouwgrond uit de speculatieve markt halen om die dan ter beschikking te stellen aan bioboeren. Deze laatste investeren namelijk jaar na jaar heel veel tijd en energie in het verbeteren van de bodemkwaliteit. Het is dan ook cruciaal dat die verzorgde grond niet terug in handen komt van de agro-industrie. Of denk aan het voorbeeld van wooncoöperaties, die gebouwen uit de crazy woonmarkt halen en hun coöperanten woonzekerheid voor de rest van hun leven tegen een betaalbare prijs garanderen.

Het goede nieuws van deze waaier aan voorbeelden is dat die toont dat we al beschikken over het nieuwe type bedrijven, dat we nodig hebben om een economie uit te bouwen die terug past binnen de grenzen van de planeet. En als burgers ze zelf meer en meer vormgeven, dan is de vraag de politici steevast stellen – is er wel draagvlak? – meteen positief beantwoord. Commons die meestal opgericht worden in de vorm van ethische coöperaties – met onder meer interne democratische besluitvorming en een begrenzing van winstuitkering – kunnen de basis vormen van de herstructurering van hele economische sectoren. Overheden kunnen deze omslag ondersteunen, door bedrijven uit de generatieve economie fiscaal te ondersteunen. Dat zou ook een logische keuze zijn, want deze bedrijven leveren op verschillende wijze een meerwaarde voor de samenleving.

Uiteraard vergt dit alles ook een culturele omslag, niet in het minst in het economisch denken en hoe dat doorwerkt in de samenleving. Het dominante economisch denken wordt al decennialang gedomineerd door neoliberale dogma’s, zoals de stelling van Milton Friedman, die in de jaren 1970 schreef dat de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven er enkel in bestaat om meer winst te maken. Ondertussen, met ecosystemen die op instorten staan, extreme hittegolven en een gierende ongelijkheid, weten we wel beter. De nieuwe economie die we nodig hebben heeft als eerste taak om in de basisbehoeften van iedereen te voldoen, binnen de grenzen van de planeet. Dat vergt een economie die in plaats van steeds meer te produceren en consumptie aan te wakkeren, wil zorg dragen. Dat betekent de leefomgeving herstellen en zorgen dat we onze economie volhoudbaar wordt. Het goede nieuws is dus dat burgers het nieuw type bedrijf voor deze duurzame tijden al volop aan het installeren zijn. Het kan de basis zijn van een echt duurzame economie.

Dirk Holemans is coördinator van Denktank Oikos.

Koen Wynants is coördinator van Commons Lab.

Koen Wynants
Wijkgericht werken met Commonsinsteek – ‘de wijk als een common’

Als Commons Lab krijgen we regelmatig vragen van zowel actieve burgers, mensen die bij de overheid werken over wijkgericht werken. Vandaar dat we een blogje schreven met enkele concrete tips. Het is gebaseerd op onze eigen praktijkexperimenten, met name het traject ‘Klimaatrobuust Sint-Andries (2017-…) en allerhande wijkexperimenten uit Antwerpen-Noord. Het eerste traject werd aanvankelijk ‘top down’ georganiseerd, vanuit een vraag van de stad Antwerpen. De wijkexperimenten in Antwerpen-Noord worden bijna allemaal bottom-up georganiseerd. Het doel van onze wijkgerichte aanpak is ecologische, sociale, economische en democratische duurzaamheid op wijkniveau. 

Stap 1: Verander eerst van mindset: beschouw de wijk als een common

Een eerste belangrijke stap is om met z’n allen (burgers, ambtenaren, politici, ondernemers, …) op een andere manier naar een wijk te kijken: de wijk als een common te gaan benaderen. Als een afgebakende bron van goederen en diensten die de inwoners allemaal delen. Als inwoners hebben we een cruciale, actieve rol in het beheer van een wijk. De wijk is als het ware van haar inwoners. De Overheid moet die actieve beheerrol ook respecteren, dwz ook een zekere autonomie van de wijk om over een aantal zaken zelf te beslissen. We zien de Overheid vooral als de partner van het wijkcollectief.  Gedurende gans het traject moet er een open dialoog zijn tussen bewoners, ondernemers en de overheid over de verschillende rollen, de onderlinge complementariteit (‘subsidiariteit’) en de onderlinge samenwerking.

De term commons of “gemeengoed” omvat een veelheid aan goederen of hulpbronnen die gaan van de meest tastbare, bijvoorbeeld water, tot de meest virtuele, zoals open source software, met daartussenin bijvoorbeeld een netwerk om fietsen te delen. Ze worden gekenmerkt door een diversiteit aan productiewijzen en beheersvormen waar de gemeenschap voor instaat.

De wijk als een common benaderen heeft wel degelijk implicaties:

  • Essentieel is dat de common collectieve actie teweegbrengt die uitgaat van een gemeenschap of een netwerk van burgers.

  • De gebruikers van de common, in dit geval de wijkbewoners, beslissen tegelijk mee over de productie- en beheerswijze ervan.

  • Als uitgangspunt stellen we dat burgerparticipatie gelijk is met burgermacht: als participatie niet resulteert in een andere machtsverdeling tussen wie heeft en wie niet heeft, is het geen echte participatie.

  • Iedereen heeft recht op de wijk, het recht om (een stukje wijk) toe te eigenen en collectief te gaan beheren, te gaan te ‘commonen’: een gebouw, een straat, een plein, een dak, …

Een divers samengestelde wijkteam dat focust op concrete collectieve actie, collectieve experimenten, verbinding tussen diverse initiatieven en actoren, kan de motor van de commons transitie op wijkniveau zijn.

 

Stap 2: Mapping

Een tweede stap is om een aantal zaken in kaart te brengen, om de wijk 100% te begrijpen:

·        Socio-economische gegevens: wat zijn de sociale uitdagingen in de wijk?

·        Gegevens mbt ruimte, stadsontwikkeling, mobiliteit, …? Wat zijn de fysieke uitdagingen van de wijk?

·        Historische gegevens over de geschiedenis van de wijk, typische kenmerken.

·        Veelheid aan goederen of hulpbronnen in de wijk, die gaan van de meest tastbare, bijvoorbeeld water, tot de meest virtuele, zoals open source software, met daartussenin bijvoorbeeld een wijknetwerk om fietsen/auto’s te delen.

·        De sociale noden van de wijk volgens de wijkbewoners zelf

·        Sleutelfiguren: burgers, ambtenaren, sociale organisaties, interculturele zelforganisaties, …

·        Interessante plekken in de wijk met een bepaald potentieel

Burgeronderzoek in de Kammenstraat in Antwerpen (burgercollectief Antwerpenize)

Wij doen dit graag via informele gesprekken op straten en pleinen zelf en/of tijdens informele interactieve workshops. Huiskamers zijn ook ideaal om heel informeel samen te werken. We gebruiken nog graag fysiek kaartmateriaal, eerder klassieke tools. Soms gaan we gericht ook informatie verzamelen door bvb. verkeer te tellen. Tijdens het mappen kan je heel wat zaken met de mensen uit de wijk al analyseren.

Alles wordt gedocumenteerd en online gedeeld via een website, via Fb, … Iedereen kan het ganse proces continu volgen. Je kan ook alles uitstallen in een bewonerslokaal, of in de bib.

 

Stap 3: Op inspiratiebezoek

De ‘dilemma’s’ die er in het systeem en in onze hoofden zitten, moeten we gaan opheffen. Het is tijd voor inspiratie; gerichte inspiratie van buitenaf. Door te kijken, te ontmoeten en zelf te ervaren ontstaan er in deze fase van ons proces heel veel doorleefde inzichten en ideeën. We verzamelen in deze fase de nieuwe zaadjes voor onze toekomstige groei. Als Commons Lab organiseren we heel regelmatig inspiratietours in Antwerpen. Maar ook gericht gaan we regelmatig op bezoek bij heel concrete commonsinitiatieven.

Op inspiratietoer in de Brugse Poort te Gent (ism De Koer): de coöperatieve buurtwinkel ‘Akker en ambacht’

 

Stap 4: Droom de wijk

Droomdag Klimaatrobuust Sint-Andries

We hebben de uitdagingen voor de wijk in kaart gebracht. We hebben nu samen gevoeld hoe we een wijk commonsgericht kunnen transformeren. In de volgende stap zetten we de eerste stap om onze dromen voor de wijk te formuleren. Samen met diverse buurtbewoners, diensten, ondernemers, experts, …

Een energiecoöperatie in de wijk. Een coöperatieve sociale buurtsupermarkt. Een gemeenschapstuin die de ganse wijk voedt. Een eigen warmtenet. Een eigen wijkkrant. Welke uitdagingen willen we hoe aanpakken? Belangrijk is om bij aanvang groot te dromen. We maken hier gebruik van inspirerend beeldmateriaal.  Voor alle duidelijkheid, dit is geen breed gedragen visie waarover consensus moet worden bereikt. De focus ligt op concrete actie, het dromen moet mensen goesting geven. De dromen mogen ‘conflict’ uitlokken.

 

Stap 5: Experimenteer en leer samen al doende

Begin kleinschalig en evt. tijdelijk. Maar begin vooral asap met de uitvoering/realisatie van ideeën. Bewoners, maar ook ondernemers, stedelijke diensten, ... Grote dromen kunnen meestal omgezet worden in concrete, kleine interventies. Vaak prototypes. Je kan heel goedkoop en snel bepaalde diensten of producten gaan uittesten. Meestal zijn er overal wel ergens de nodige middelen te vinden.

Belangrijk is om alles goed te observeren; welke interactie levert een experiment op. Ontstaat er een conflict? Hoe? En let vooral op wie ook interesse en goesting toont, identificeer de medestanders.

 

Stap 6: Leer en ontwikkel samen door

We beschouwen de wijk als een veilige, dynamische en coöperatieve leeromgeving waar vrij geëxperimenteerd en ervaringsgericht geleerd kan worden. Bij coöperatief leren gaat het om de samenwerking tussen de sterkere en de zwakkere. Dit wordt gestimuleerd door coöperatieve werkvormen, waarbij in heterogene groepjes gewerkt wordt. De deelnemers discussiëren samen, ze geven elkaar uitleg en informatie en vullen elkaar aan. Zij zoeken samen naar een oplossing en helpen elkaar.

We vinden het cruciaal op verschillende niveaus en bij de verschillende fasen te leren van het proces en van elkaar. We willen ruimte inbouwen om bijkomend na te denken over welke nieuwe ontwikkelingen we nodig hebben om dit concrete, eerste proces van wijkontwikkeling vooruit te helpen. Na de eerste generatie experimenten volgen meestal logische vervolgprocessen. Heel vaak kan je dat op voorhand niet vast leggen.   

Mislukken kan in een experiment nooit, tenzij je niets bijleert.

 

Stap 7: Slim verbinden

Bron: R-urban

Je kan deze cyclus meermaals herhalen. Als wijkregisseur/wijkraad evolueert ook je rol. Eénmaal de bal aan het rollen is in de wijk, is het belangrijk om goed te observeren wie overal waar mee bezig is en slimme verbindingen te leggen binnen de wijk. Bepaalde initiatieven stimuleren samenwerking in de wijk. Een wijkkrant bvb. is ideaal om initiatieven en pioniers bekender te maken. Het afval van het ene initiatief is misschien de grondstof voor het andere. Een soort ‘boundaryworker’, een enthousiaste spin in het web, binnen een veelheid aan initiatieven vanuit burgers, overheid, bedrijven en kennisinstellingen, is cruciaal. Die rol kan zowel door een ambtenaar, maar evenzeer een burger(collectief) opgenomen worden.

 

Interessante links:

 

Koen Wynants
Geen expresweg aan de Antwerpse kaaien #kaailink

Burgercollectief KaaiLink stuurde een open brief naar het stadsbestuur en de leden van de gemeenteraad over de heraanleg van het centrale deel van de Scheldekaaien. Het stadsbestuur verzwijgt de plannen voor een open sleuf voor autoverkeer ter hoogte van het historisch centrum en duldt geen inspraak hierover.
Onze open brief vind je hier: https://drive.google.com/file/d/1pCjpObALIchHBeOe-VvgM5mSWARf0DQE/view?usp=sharing

Waarom een open sleuf voor autoverkeer in het historisch centrum geen goed idee is?
- Een sleuf zorgt voor extra doorgaand verkeer waardoor de kaaien over de hele lengte een expresweg worden. Doorgaand verkeer hoort niet thuis in het historisch centrum van de stad.
- De hellingen en extra drukke expresweg voor en na de sleuf worden een barrière, een put tussen woonwijken en Scheldekaaien
- Naast de tunnelsleuf komt een bovengrondse rijbaan voor uitzonderlijk verkeer (een ventweg) en langs gevels nog één voor lokale toegang naar de garages en de Suikerrui. Hierdoor blijft uiteindelijk amper ruimte over voor wandelaars of gezellige terrasjes
- Er zit veel waardevol archeologisch materiaal in de bodem in het historisch centrum. Hier graaf je niet zomaar een sleuf

Steun de oproep tot inspraak en blijf op de hoogte door je e-mailadres hier achter te laten.

Koen Wynants
Drie vormen van participatie en democratie

Tijdens het Symposium ‘The future of culture is common’ werd het boek ‘The rise of the common city - On the culture of commoning’ voor gesteld. De resultaten van een jarenlang onderzoek naar commons, kunst en cultuur. We vonden dit binnen Commons Lab super boeiend. Het Culture Commons Quest Office traceerde tijdens haar onderzoek drie vormen van participatie die binnen de politieke wetenschap en de politieke filosofie kunnen worden getraceerd. We vertalen en bewerken hier een stukje uit het boek. We willen die graag delen om hierover met mensen van gedachten te wisselen. Later willen we hier mee aan de slag gaan: projecten/experimenten herdenken volgens dit theoretisch kader.

De representatieve democratie

De eerste vorm van democratie is de bekende representatieve democratie. Deze vorm van politieke participatie deed zich voor in de nog jonge natiestaten in de negentiende eeuw, samen met de politieke emancipatie van de bourgeoisie. Het past dus goed in de liberale filosofie die het individu centraal stelt. Dit systeem is gebaseerd op de vertegenwoordiging van het volk door middel van verkiezingen die om de vier of vijf jaar worden gehouden. In een dergelijke democratische orde dient een cultuurbeleid enerzijds om de identiteit en de legitimiteit van de natiestaat te versterken. Het doet dat met nationale musea, theaters, bibliotheken, en een officiële nationale taal, standbeelden en schilderijen van nationale helden, en evenementen die de natiestaat een historisch fundament geven - kortom, de nationale canon. 

De deliberatieve democratie

Tegen het einde van de jaren zestig gingen arbeiders, kunstenaars en studenten de straat op om de democratisering te eisen van al te starre en al te hiërarchische staatsinstellingen en andere instituten (parlement, universiteit, musea). Debatten, discussies en onderhandelingen waren de basis ingrediënten van deze tweede participatiegolf, die ook wel deliberatieve democratie wordt genoemd. Sterk beïnvloed door Jürgen Habermas' "communicatieve actie" (Habermas, 1981) en zijn analyse van het ontstaan van de publieke ruimte (Habermas, 1962), gaat deze vorm van democratie ervan uit dat consensus kan worden bereikt op basis van debat en rationele argumenten. Terwijl in een representatieve democratie de burgerstrijd zich concentreert op de kwantitatieve stem (het aantal stemmen is wat telt), gaat het in een deliberatieve democratie om de kwaliteit van die stem (wat telt is wat men zegt). Zo verschuift de aandacht van de politieke democratie naar de culturele democratie. Net als een representatieve democratie kent ook een deliberatieve democratie haar uitsluitingsmechanismen. De rellen met zogenaamd 'willekeurig geweld' die sinds de jaren negentig in Amerikaanse en Europese steden uitbraken, worden vaak uitgelegd als een reactie op deze uitsluitingsmechanismen. Tot en met de Occupy-beweging worden deze protesten door zowel politici als mainstream media vaak als 'willekeurig' of 'zinloos' gezien, ofwel omdat de 'relschoppers' simpelweg geen politieke eisen stellen, ofwel omdat deze eisen niet eenduidig begrepen kunnen worden (zoals in het geval van de Indignados). Dergelijke uitbarstingen kunnen echter worden gezien als symptomen van het feit dat - zowel in een representatieve als in een deliberatieve democratie - bepaalde segmenten van de bevolking niet worden gehoord. Dit zijn in de eerste plaats groepen met weinig opleiding, of immigranten die de landstaal niet spreken of niet de "juiste" (d.w.z. blanke, middenklasse) woordenschat gebruiken. Het is een van de redenen waarom politieke filosofen en sociologen als Chantal Mouffe, Ernesto Laclau, Jacques Rancière en Manuel Castells wijzen op het civiele en politieke belang van affecties en emoties voor een democratie.

De agonistische democratie

Dit brengt ons bij een derde vorm van participatie, die we, geïnspireerd door Mouffe, 'agonistisch' noemen. Een agonistische democratie gaat ervan uit - in de lijn van Oliver Marchart - dat democratische politiek 'postfundamenteel' is. Dit betekent dat er geen fundament is voor de macht, zoals God dat is in een theocratie of de meerderheid in een representatieve democratie, of een ratio in een deliberatieve democratie. Er kan in een democratie consensus bestaan over wie aan de macht kan zijn en hoe die macht kan worden verkregen, maar een agonistisch model gaat ervan uit dat deze consensus het product is van hegemonie. Dit betekent dat de bereikte consensus altijd die is van een specifieke, bevoorrechte groep die de controle over de macht in een samenleving heeft verkregen. Door te suggereren dat deze consensus niet die van een bepaalde machtsfractie is, maar van de samenleving als geheel, worden de meningen en culturen van ondergeschikte groepen en andere vermeende minderheden verdoezeld en buitengesloten. Een agonistische democratie gaat er nu van uit dat consensus nooit voor de hele samenleving geldt en dus altijd kan worden aangevochten. Met andere woorden, dissensus is altijd mogelijk. Kenmerkend voor de burgerstrijd na deze 'affectieve wending' is dat deze gericht is op doen, op presteren. Een agonistisch politiek model gaat ervan uit dat er naast de stem - kwantitatief of kwalitatief - ook andere vormen van democratische participatie bestaan. Democratie beperkt zich dus niet tot een goed debat in de openbare of burgerlijke ruimte, maar vertaalt zich in handelen in de civiele ruimte. En het is precies hier dat de commons opnieuw een cruciale rol beginnen spelen. Een agonistische politiek zal in de eerste plaats de voorwaarden scheppen (cf. Rancière) om (nu nog) onzichtbare, onhoorbare en onzegbare democratische eisen zichtbaar en hoorbaar te maken. 

Commons politiek

Een van de eisen en praktijken die de afgelopen dertig jaar onzichtbaar zijn gebleven, en ook zijn onderdrukt en verdrukt, zijn die van de commons. Commoning is in feite een vorm van participatie waarbij commoners vorm geven aan hun (sociale) omgeving door collectief zelfbeheer van hulpbronnen. Om dit te bereiken, gebruiken de commoners competenties die zowel in een deliberatieve als in een agonistische democratie vereist zijn. Naast het 'doen'; bijvoorbeeld het opzetten van een organisatie, een blog, een platform, of het ontwikkelen van regels, vindt er veel discussie en onderhandeling plaats (in allerhande vergaderingen), tussen de commoners onderling. Hoewel de burgers af en toe stemmen om tot een besluit te komen (vertegenwoordiging), ligt de nadruk op overleg en agonistiek. Vooral de ontwikkeling van commonsinitiatieven berust op dit participatieve model. Commonsgerichte praktijken ontwikkelen zich met name op terreinen waar overheden geen belangstelling voor tonen of waar zij in gebreke blijven en waar marktpartijen geen of nog geen winstpotentieel zien. Deze derde ruimte, naast staat en markt is die van het burgerinitiatief waar burgers het heft in eigen handen nemen. En, volgens Castells vinden dergelijke burgeracties hun oorsprong in emoties (Castells, 2015). Ook passies genereren de energie en de drive voor dergelijke acties.

Willen commonspraktijken zich duurzaam kunnen ontwikkelen, dan moeten er regels, beheersvormen en structuren worden ontwikkeld. Een commons politiek betekent dan 1) het eens worden over regels voor het collectieve zelfbeheer van hulpbronnen, 2) het ontwerpen van strategieën om de commons te vrijwaren van inmenging door de overheid of de markt en om een uitbreiding van het gemeengoed te realiseren, waardoor 3) uitwisseling en gemeenschapsbanden op alternatieve manieren worden ontwikkeld. Volgens Pascal Gielen en Hanka Otten vormt cultuur, in antropologische zin als de bron van "betekenisgeving aan zichzelf en aan  de samenleving waarin mensen leven', de basis voor deze commons politiek.

Waar zowel het communisme als het (neo)liberalisme de economie als het fundament van de samenleving beschouwen, beschouwt het zogenaamde 'commonisme' de economie, politiek maar ook ecologie als de uitkomst van processen van betekenisgeving. Daarom is het commonisme in staat alternatieve vormen van economie, politiek en samenleven in bredere zin voor te stellen, op basis van cultuur. In de hieronder besproken gevallen zien we kunst en cultuur dan ook  als kritische bondgenoten die een democratie en in bredere zin een samenleving beïnvloeden, voornamelijk door middel van deliberatieve en agonistische participatie. Met andere woorden, kunstenaars en culturele organisaties verhouden zich tot de drie geschetste vormen van participatie, die, laten we duidelijk zijn, naast en met elkaar kunnen  naast en met elkaar in een democratie kunnen bestaan, zij het met wisselende spanningsvelden.

Hoe zij dit precies (kunnen) doen, zullen we later proberen te verduidelijken aan de hand van casestudies waarin wij als Commons Lab proberen verandering te brengen in het beheer van gemeenschappelijke hulpbronnen door het stadsbestuur of marktpartijen te veranderen in een beheer volgens gemeenschappelijke principes.

 

Bron: Volont, L., Lijster, T., & Gielen, P. (Eds.) (2022). The Rise of the Common City: On the Culture of Commoning. ASP. https://doi.org/10.46944/9789461173492

Koen Wynants
'The Future of Culture is Common': some impressions

The Culture Commons Quest Office (CCQO, University of Antwerp) organized a three day conference (1 - 3 June 2022) on Commoning Cultural Activism, Aesthetics, Organization and Policy. CCQO is an interdisciplinary research team led by prof. Pascal Gielen, that has been working on these topics between 2016 and 2021. Since January 2022 Pascal and CCQO share their office with Commons Lab. An experiment to explore new collaboration between commoners and knowledge institutions. 

THE FUTURE OF CULTURE IS COMMON

 

The conference was structured on the basis of four thematic clusters: organization, (cultural) activism, policy, and aesthetics. In keynote lectures, debates, and workshops we  addressed the following questions:  

How can artists and other cultural professionals organize themselves more independently from governments and markets? Can the framework of the commons help to fight the precarious conditions of the contemporary cultural sector? Does ‘commoning’ entail a different relation of artists to audiences, and to one another? 

What strategies do activists use to struggle for a space between or beyond market and state, and how do they use art and culture to appropriate ground, making it common again? 

How could a governmental policy relate to cultural commoners, and how do topdown and grassroot initiatives be aligned? 

And finally, do cultural communing practices have different artistic and aesthetic demands and expressions than cultural production from the official (subsidized) institutions or commercialized art? 

 

The kick-off meeting was a roundtable on the CCQO research. Followed by the book launch of ‘Rise of the Common City’, a volume that looks at cultural communing practices in urban environments, which contains contributions by CCQO researchers and affiliated scholars. Day 2 and 3 were structured with mornings’ keynote lectures on the thematic clusters, followed by open conversations and debates with both presenters. In the afternoon, there were blocks of parallel workshop sessions, in which we deepened our knowledge of the themes and exchange thoughts and practices. Commons Lab contributed to the conference by organizing a bike tour for the participants through commonsinitiatives in Antwerp. We also facilitated the ‘conference dinner’ at a food collective, ‘De Beek’. To make it also a sort of a ‘commons experience’.  

 

Lessons learned 

There are many interpretations of the concept of commons. At this conference we ‘rediscovered’ another perspective/approach. More focus on the culture and patterns of commoning. Commons as an ideology (‘commonism’). Commoning is all about mindsets and culture. At the same time it’s also about institutionalizing.  

 

“Culture is always the result of creating, sharing and teaching, remixing, reappropriating, interpretating and critiquing. Even the most ‘autonomous’ artists use forms or languages that were passed over to them. One might also say: culture is a ‘common’, that is, a source of value that is produced and governed by everyone, and that therefore can never be the exclusive property or product of anyone.”  - CCQO

 

We really enjoyed the Keynote ‘Common-Based Cultural Policy: leaning on three forms of democracy’ with guest lecturer Pascal Gielen, CCQO Director. The CCQO team detected three forms of participation that can be traced within political science and political philosophy: REPRESENTATION, DELIBERATION, AND AGONISM. Underneath you an find some interesting snippets from the according article ‘Capture in fiction? The art of commoning urban space’ by Hanka Otte & Pascal Gielen (The rise of the common city). 

 Further action/collaboration 

The future of culture will be common or there will be no culture at all. Both CCQO and Commons Lab believe in new collaboration, also between commoners and knowledge institutions.  

  • The CCQO and Commons Lab will collaborate to organize another ‘Assembly’ on this topic later this year 

  • Commons Lab will contribute to further research on this topic by sharing our knowledge of commons practitioners, our community of practice, …  

  •  Commons Lab will ‘translate’ some of the academic knowledge to make it more accessible for commoners, ngo’s, … 

REPRESENTATION, DELIBERATION, AND AGONISM

From: Otte & Gielen, ‘Captured in fiction? The art of commoning Urban Space’, The rise of the common city, 2022

“The CCQO team detected three forms of participation that can be traced within political science and political philosophy. The first one is the well-known representative democracy. This type of political participation occurred in still young nation states in the nineteenth century, together with the political emancipation of the bourgeois. It therefore fits well into the liberal philosophy that places the individual at its centre. This system is founded on the representation of the people through elections that are held every four or five years. In such a democratic order, a cultural policy on one hand serves to strengthen the identity and legitimacy of the nation state. It does so with national museums, theatres, libraries, and an official national language, statues and paintings of national heroes, and events that give the nation state historical foundation – in short, the national canon.  

By the end of the 1960s, workers, artists, and students took to the streets to demand the democratisation of overly rigid and overly hierarchical state institutions and other institutes (parliament, university, museums). Debates, discussions, and negotiations were the basic ingredients of this second wave of participation, also referred to as deliberative democracy. Strongly influenced by Jürgen Habermas’ ‘communicative action’ (Habermas, 1981) and his analysis of the origin of the public space (Habermas, 1962), this form of democracy assumes that consensus can be arrived at on the basis of debate and rational arguments. Whereas in a representative democracy the civil struggle focuses on the quantitative vote (the number of votes is what counts), in a deliberative democracy the struggle is about the quality of that vote (what counts is what one says). Thus, the attention shifts from political democracy to cultural democracy. Just like a representative democracy, a deliberative democracy also has its exclusion mechanisms. The riots with so-called ‘random violence’ that broke out in American and European cities since the 1990s are often explained as being a reaction to these exclusion mechanisms. Up to and including the Occupy Movement, these protests are often seen by both politicians and mainstream media as ‘random’ or ‘senseless’, either because the ‘rioters’ simply pose no political demands or because these demands cannot be understood unequivocally (such as in the case of the Indignados). Such eruptions can however be seen as symptoms of the fact that—both within a representative and a deliberative democracy—certain segments of the population are not being heard. These are primarily groups with little education, or immigrants who do not speak the national language or don’t use the ‘proper’ (i.e., white, middle- class) vocabulary. It is one of the reasons why political philosophers and sociologists such as Chantal Mouffe, Ernesto Laclau, Jacques Rancière and Manuel Castells point out the civil and political importance of affects and emotion for a democracy. This brings us to a third form of participation, which, inspired by Mouffe, we call ‘agonistic’ (Mouffe, 2013). An agonistic democracy assumes—in line with Oliver Marchart (Marchart, 2007)—that democratic politics is ‘post-foundational’. This means that there is no foundation for power, such as God is in a theocracy or the majority is in a representative democracy, or a ratio is in a deliberative democracy. There can be consensus in a democracy about who can be in power and how this power can be obtained but an agonistic model assumes that this consensus is the product of hegemony. This means that the consensus arrived at is always that of a specific, privileged group that has obtained the control of power in a society. However, by suggesting that this consensus is not that of a certain power faction but of society as a whole, the opinions and cultures of subaltern groups and other alleged minorities are obscured and excluded. An agonistic democracy now assumes that consensus never applies to the whole of society and therefore can always be contested. In other words, dissensus is always possible. Characteristic for the civil struggle after this ‘affective turn’ is that it focuses on doing, on performance. An agonistic political model assumes that in addition to the vote—either quantitatively or qualitatively—there are also other forms of democratic participation. Democracy is therefore not limited to a proper debate in public or civic space, but translates itself in acting in civil space. And it is exactly here that art and cultural codes may play a crucial part. After all, artists have the talent and training to express themselves in other ways than through rational arguments. Expression in visual language, dance, music but also using an idiosyncratic vocabulary or presenting an alternative narrative are part of the core business of the arts. An agonistic cultural policy will therefore primarily create the conditions (cf. Rancière) for making (as yet) invisible, inaudible, and unutterable democratic demands visible and audible.  

One of the demands and practices that, for the past thirty years, have remained unseen, and has also been repressed and suppressed, is that of the commons. Commoning in fact is a form of participation whereby commoners give form to their (social) environment by collective self-management of resources. To achieve this, commoners use competencies that are required in both a deliberative and an agonistic democracy. In addition to ‘doing’; for example, setting up an organisation, a blog, a platform, or developing rules, a lot of discussion and negotiation takes place (such as in assemblies), among commoners. Although commoners will vote every once in a while, in order to arrive at a decision (representation), the emphasis is on deliberation and agonistics (cf. supra). Especially the development of common initiatives rests on this participative model. Commoning practices tend to develop particularly in domains for which governments show no interest or where they fail to act and where market parties do not or not yet see, potential for profit. This third space between state and market is that of the civil initiative where citizens take matters into their own hands.