Over commons en 'third places'

Commons en third places zijn twee concepten die vaak opduiken in discussies over gemeenschapsvorming, stedelijke ruimte en alternatieve vormen van sociale organisatie. Beide verwijzen naar plekken en praktijken waar mensen samenkomen buiten de strikt private sfeer van het huis en de formele logica van werk of markt. Toch vertrekken ze vanuit verschillende tradities en leggen ze andere accenten. Terwijl commons vooral draaien rond het collectief beheren van gedeelde hulpbronnen, richten third places zich op sociale ontmoeting en informele gemeenschap. Door hun verschillen en gelijkenissen te onderzoeken, wordt duidelijk dat beide modellen belangrijke inzichten bieden in hoe stedelijke gemeenschappen zich kunnen organiseren.

Het concept van commons verwijst naar hulpbronnen die door een gemeenschap gezamenlijk worden beheerd volgens zelf opgestelde regels. Deze hulpbronnen kunnen materieel zijn, zoals land, energie of gebouwen, maar ook immaterieel, zoals kennis of digitale infrastructuur. Het centrale element van commons is niet zozeer de hulpbron zelf, maar het proces van “commoning”: de sociale praktijk waarbij mensen collectief afspraken maken over gebruik, zorg en verantwoordelijkheid. Het onderzoek van Elinor Ostrom heeft een belangrijke rol gespeeld in het begrijpen van deze dynamiek. In haar werk toont ze aan dat gemeenschappen in staat zijn om gedeelde middelen duurzaam te beheren zonder dat privatisering of centrale staatscontrole noodzakelijk is. Commons creëren zo vormen van collectieve governance waarin gebruikers ook mede-eigenaars en beheerders worden.

Third places vertrekken vanuit een andere invalshoek. Het begrip werd ontwikkeld door de Amerikaanse socioloog Ray Oldenburg om plekken te beschrijven waar mensen informeel samenkomen buiten hun huis (de “first place”) en hun werkplek (de “second place”). Voorbeelden zijn cafés, bibliotheken, buurthuizen, parken of kleine winkels waar mensen elkaar regelmatig ontmoeten. Volgens Oldenburg spelen zulke plekken een cruciale rol in het sociale weefsel van een stad, omdat ze spontane ontmoetingen mogelijk maken en sociale netwerken versterken. In een goed functionerende third place voelen mensen zich welkom, zijn hiërarchieën minder belangrijk en ontstaat een informele sfeer waarin gesprekken en sociale interactie centraal staan.

Ondanks hun verschillende oorsprong hebben commons en third places een aantal belangrijke gelijkenissen. Beide benadrukken het belang van gedeelde ruimte en collectieve interactie. Ze creëren plekken waar mensen niet louter consumenten zijn, maar actieve deelnemers aan een gemeenschap. In een tijd waarin veel stedelijke ruimtes sterk gecommercialiseerd zijn of onderworpen aan functionele logica’s, bieden zowel commons als third places alternatieven waarin sociale relaties, samenwerking en gedeeld gebruik centraal staan. Bovendien dragen beide modellen bij aan sociale cohesie. Door mensen regelmatig samen te brengen rond gedeelde activiteiten of ruimtes ontstaan vertrouwen, informele netwerken en vormen van lokale solidariteit.

Toch zijn er ook duidelijke verschillen. Het belangrijkste onderscheid ligt in de manier waarop de ruimte wordt georganiseerd en beheerd. In third places staat de sociale functie van ontmoeting centraal. De plek kan publiek of commercieel zijn en vereist niet noodzakelijk collectief eigenaarschap of formele governance door de gebruikers. Een café of bibliotheek kan bijvoorbeeld een typische third place zijn zonder dat bezoekers mede-eigenaars of beheerders zijn van de ruimte. Commons daarentegen draaien expliciet rond collectief beheer. De gemeenschap die gebruikmaakt van de hulpbron neemt ook verantwoordelijkheid voor het onderhoud, de regels en de toekomst van die hulpbron. Daardoor ontwikkelen commons vaak meer gestructureerde vormen van besluitvorming, zoals vergaderingen, gedeelde afspraken en participatieve governance.

Deze verschillen betekenen echter niet dat de twee modellen los van elkaar staan. Integendeel, ze kunnen elkaar versterken. Commons kunnen functioneren als krachtige third places, omdat collectief beheerde ruimtes vaak ook plekken van ontmoeting en gemeenschap worden. Een buurtmoestuin, coöperatieve werkplaats of gemeenschapscentrum dat volgens commonsprincipes wordt beheerd, kan tegelijkertijd een belangrijke third place zijn waar mensen elkaar informeel ontmoeten. In dat geval versterken sociale interactie en collectief beheer elkaar: de ontmoetingsfunctie versterkt het gemeenschapsgevoel, terwijl het gedeelde beheer mensen motiveert om actief betrokken te blijven bij de plek.

Omgekeerd kunnen third places ook inspiratie bieden voor commons. Omdat third places sterk focussen op toegankelijkheid en informele interactie, slagen ze er vaak goed in om een brede en diverse groep mensen aan te trekken. Commonsprojecten kunnen soms de neiging hebben om vooral een beperkte groep zeer betrokken deelnemers aan te spreken. Door meer aandacht te besteden aan laagdrempeligheid, gastvrijheid en spontane ontmoeting kunnen commons inclusiever worden en hun sociale basis verbreden. De sociale dynamiek die kenmerkend is voor succesvolle third places kan dus helpen om commons levendiger en toegankelijker te maken.

De rol van de overheid speelt in beide modellen een belangrijke maar complexe rol. Overheden kunnen voorwaarden creëren waarin zowel commons als third places kunnen ontstaan en bloeien. Dat kan bijvoorbeeld door publieke ruimte beschikbaar te maken, leegstaande gebouwen tijdelijk open te stellen voor gemeenschapsinitiatieven of regelgeving aan te passen zodat coöperatieve en collectieve projecten mogelijk worden. Tegelijk moeten overheden opletten dat ze deze initiatieven niet te sterk reguleren of instrumentaliseren. Zowel commons als third places functioneren het best wanneer er voldoende ruimte is voor lokale dynamiek, spontane interactie en zelforganisatie.

In de hedendaagse stad worden commons en third places daarom steeds vaker gezien als complementaire elementen van een rijk stedelijk ecosysteem. Third places bieden de sociale infrastructuur waar mensen elkaar ontmoeten, ideeën uitwisselen en gemeenschappen vormen. Commons bouwen voort op die sociale relaties door gedeelde middelen en ruimtes collectief te beheren.

Samen tonen ze dat stedelijke ruimte niet alleen een economische of functionele dimensie heeft, maar ook een diep sociale en politieke betekenis. Ze laten zien hoe burgers actief kunnen bijdragen aan het creëren van plekken die niet alleen efficiënt of rendabel zijn, maar ook verbindend, zorgzaam en democratisch.

Koen Wynants