Wie heeft er nog iets te zeggen? Over de onrust in Europa en de nood aan een samenleving die we samen vormgeven
Er broeit iets in Europa. De rellen en gewelddadige confrontaties in steden als Brussel, Luik en verschillende Franse steden blijven ook door mijn hoofd spoken. Wat begint als protest, mondt soms uit in vernieling, confrontaties met de politie en geweld tegen medeburgers. Dat is onaanvaardbaar. Wie geweld pleegt, draagt daarvoor verantwoordelijkheid. Maar als we alleen de orde proberen te herstellen, missen we een belangrijk deel van het verhaal. Want achter de onrust speelt een moeilijkere vraag: wat gebeurt er met een samenleving wanneer mensen steeds minder het gevoel hebben dat ze er deel van uitmaken, er iets over te zeggen hebben of er samen iets aan kunnen veranderen?
De recente protesten in verschillende Europese landen hebben uiteenlopende aanleidingen. De hoge levenskosten, onbetaalbare huisvesting, druk op publieke diensten en onzekerheid bij jongeren spelen op verschillende plaatsen een rol. Dat maakt van alle protesten nog geen beweging met één gemeenschappelijke oorzaak. Maar ze tonen wel hoe kwetsbaar de sociale samenhang wordt wanneer mensen het gevoel krijgen dat hun toekomst steeds moeilijker bereikbaar is.
We mogen die onrust niet romantiseren. Geweld is geen democratisch alternatief. Maar we mogen evenmin doen alsof de samenleving zelf buiten schot blijft. Wie uitsluitend naar de relschoppers kijkt, hoeft niet na te denken over de omstandigheden waarin onvrede groeit. Wie uitsluitend naar de omstandigheden kijkt, dreigt dan weer de verantwoordelijkheid van mensen voor hun daden uit het oog te verliezen. We moeten beide doen: grenzen stellen aan geweld én onderzoeken wat er in onze samenleving fout loopt.
We leven samen, maar geven we ook samen vorm aan onze samenleving?
We vertellen onszelf graag dat we in een democratie leven. We mogen onze mening uiten, ons verenigen en om de paar jaar onze vertegenwoordigers kiezen. Dat zijn verworvenheden die we moeten koesteren. Toch is er iets merkwaardigs aan onze democratie. We mogen mee bepalen wie bestuurt, maar hebben veel minder te zeggen over de manier waarop onze dagelijkse leefwereld wordt georganiseerd.
Wie bepaalt wat er met een buurt gebeurt? Wie heeft toegang tot betaalbare woningen, publieke ruimte en maatschappelijke voorzieningen? Wie beslist over de bestemming van een gebouw dat jarenlang deel uitmaakte van het leven van een wijk? Wie bepaalt welke investeringen prioriteit krijgen? En wie heeft de middelen en de invloed om zijn stem ook daadwerkelijk te laten wegen? Op papier hebben we gelijke rechten. In de praktijk beschikken we niet allemaal over dezelfde mogelijkheden om onze omgeving vorm te geven.
Wie geld, eigendom, kennis en invloed heeft, kan vaak meer wegen op beslissingen dan wie daarvan afhankelijk is. Wie over een sterk netwerk beschikt, vindt gemakkelijker zijn weg naar de juiste mensen. Wie weinig tijd, middelen of vertrouwen heeft, blijft vaker aan de zijlijn staan. Dat is niet alleen een kwestie van sociale ongelijkheid. Het raakt aan de kwaliteit van onze democratie.
“Een samenleving is niet werkelijk democratisch omdat iedereen af en toe zijn stem mag uitbrengen. Ze wordt ook democratischer wanneer mensen in hun dagelijkse leven daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen op wat hen aanbelangt.”
Een gemeenschap bouw je niet alleen met gedeelde waarden
In het debat over maatschappelijke onrust klinkt vaak de oproep om onze gedeelde waarden opnieuw te bevestigen. We moeten onze identiteit kennen, onze cultuur koesteren en duidelijk maken wat we van elkaar verwachten.
Natuurlijk hebben we gemeenschappelijke afspraken nodig. De vrijheid en gelijkwaardigheid van mensen moeten worden beschermd. Geweld, intimidatie en discriminatie zijn geen aanvaardbare manieren om conflicten op te lossen. Wie deelneemt aan onze samenleving, heeft verantwoordelijkheden tegenover anderen. Maar de vraag is: wat maakt ons tot een gemeenschap?
Moeten we daarvoor vooral dezelfde waarden, overtuigingen of culturele achtergrond delen? Of kunnen we ook een gemeenschap vormen doordat we samen verantwoordelijkheid dragen voor een wereld die we delen?
Neem iemand die als vluchteling in Vlaanderen aankomt. We mogen van hem verwachten dat hij de rechten van anderen respecteert, inspanningen levert om Nederlands te leren en naar vermogen bijdraagt aan de samenleving. Maar wat mag hij van ons verwachten? Dat we hem de kans geven om deel te nemen, contacten op te bouwen en zijn leven uit te bouwen. En ook dat hij niet voor altijd een buitenstaander blijft die zich aan een bestaande gemeenschap moet aanpassen. Hij moet de mogelijkheid krijgen om die gemeenschap mee vorm te geven.
Dat geldt evenzeer voor iemand die hier geboren is, maar opgroeit in armoede. Voor jongeren die zich niet gehoord voelen. Voor mensen die weinig vertrouwen hebben in de politiek. En voor mensen die het gevoel hebben dat hun buurt, hun werk of hun toekomst steeds minder van hen is.
“Een gemeenschap ontstaat niet alleen doordat mensen iets gemeenschappelijks hebben. Ze ontstaat ook doordat mensen samen iets gemeenschappelijks tot stand brengen”
Dat vraagt meer dan een beroep op identiteit. Het vraagt dat we mensen de ruimte geven om mee te doen, verantwoordelijkheid op te nemen en invloed uit te oefenen.
Van inspraak naar zeggenschap
We organiseren vandaag heel wat participatietrajecten. Burgers mogen hun mening geven over een plein, een straat of een beleidsplan. Verenigingen worden uitgenodigd om mee na te denken. Jongeren mogen vertellen wat ze nodig hebben. Dat is waardevol. Maar participatie is niet hetzelfde als zeggenschap.
Je kunt mensen uitgebreid consulteren en uiteindelijk zelf alle beslissingen blijven nemen. Je kunt bewoners vragen wat ze van een buurtplek vinden, zonder hun de mogelijkheid te geven om mee te bepalen wat ermee gebeurt. Je kunt jongeren uitnodigen om hun ideeën te delen, zonder hen toegang te geven tot middelen of beslissingen. Dan mogen mensen meepraten, maar blijft de macht grotendeels waar ze al zat. Wat als we een stap verder gaan?
Wat als bewoners niet alleen mogen vertellen wat ze van hun straat vinden, maar ook structureel mee bepalen hoe die wordt ingericht en beheerd? Wat als een kerkgebouw niet alleen een gebouw van een eigenaar is, maar ook een plek waarvoor een buurt verantwoordelijkheid kan opnemen? Wat als burgers niet alleen concurreren om een deel van een budget, maar samen bepalen welke investeringen hun gemeenschap vooruithelpen?
Dat zijn geen abstracte dromen. Het zijn vragen waarmee we in concrete projecten kunnen experimenteren. En ze gaan over meer dan een groenere straat, een nieuwe bestemming voor een gebouw of een beter besteed buurtbudget. Ze gaan over de manier waarop we onze samenleving organiseren.
“Kunnen we de macht om te beslissen, middelen te beheren en regels te maken op meer plaatsen en met meer mensen delen? Dat is een democratische uitdaging die verder reikt dan de klassieke tegenstelling tussen links en rechts.”
Regels zijn afspraken die we samen moeten kunnen onderzoeken
Onze samenleving is gebouwd op regels en instituties. Veel daarvan beschermen belangrijke rechten en zorgen ervoor dat we op elkaar kunnen rekenen. We hebben ze nodig.
Maar regels zijn ook menselijke constructies. Ze zijn historisch gegroeid, weerspiegelen bepaalde keuzes en verdelen verantwoordelijkheden en macht. Ze zijn niet allemaal vanzelfsprekend de best mogelijke manier om samen te leven. Daarom moeten we ze kunnen bevragen.
Niet om elke afspraak zomaar overboord te gooien. Niet om te doen alsof alle regels gelijkwaardig zijn. En zeker niet om de rechten van minderheden afhankelijk te maken van wat een lokale meerderheid toevallig wil. Wel om te onderzoeken waarom we dingen op een bepaalde manier organiseren, wie daar baat bij heeft en wie erdoor wordt uitgesloten. Om alternatieven uit te proberen en te leren uit wat beter werkt. Dat is ook wat democratie levend houdt. Niet alleen de mogelijkheid om vertegenwoordigers te vervangen, maar ook de ruimte om bestaande praktijken en machtsverhoudingen kritisch te onderzoeken.
Een gemeenschap die nooit meer aan haar eigen regels mag twijfelen, verstijft. Een gemeenschap die geen afspraken kan maken of handhaven, valt uiteen. De uitdaging is om beide te verbinden: duidelijke afspraken én het vermogen om ze samen te blijven herzien.
Een andere manier om naar verandering te kijken
We spreken vaak over burgers als consumenten van publieke diensten, als individuen die hun eigen weg zoeken of als kiezers die hun voorkeur uitspreken. Maar mensen kunnen meer zijn dan dat. Ze kunnen samen een tuin beheren, zorg organiseren, een gebouw een nieuwe bestemming geven, hun buurt vergroenen of afspraken maken over het gebruik van gedeelde middelen. Ze kunnen ontdekken dat ze, ondanks verschillende achtergronden en overtuigingen, samen verantwoordelijkheid kunnen dragen.
Dat klinkt misschien kleinschalig tegenover de grote problemen waarmee Europa wordt geconfronteerd. Een buurtproject lost de wooncrisis niet op. Een gemeenschappelijke tuin beëindigt de maatschappelijke ongelijkheid niet. En een participatietraject herstelt niet vanzelf het vertrouwen in de politiek. Maar zulke initiatieven kunnen wel iets wezenlijks zichtbaar maken: mensen zijn niet machteloos tegenover de manier waarop hun samenleving is georganiseerd.
Ze kunnen leren samenwerken, conflicten hanteren, afspraken maken en beslissingen nemen. Ze kunnen ervaren dat gemeenschappelijkheid niet betekent dat iedereen hetzelfde moet denken, maar dat mensen met verschillen toch samen iets kunnen realiseren. En die ervaring kan verder reiken dan het project zelf. Ze kan mensen sterker maken om ook op andere plaatsen invloed uit te oefenen, bestaande regels te bevragen en verantwoordelijkheid op te nemen. Daarom zijn zulke initiatieven niet alleen praktische oplossingen. Het zijn ook oefenplaatsen voor democratie.
We hebben niet minder samenleving nodig, maar meer gemeenschappelijkheid
Wanneer mensen zich onzeker voelen, zoeken we naar verklaringen en oplossingen. Soms wijzen we naar de overheid die te weinig doet. Soms naar de overheid die zich te veel bemoeit. Soms naar nieuwkomers, politieke elites, bedrijven of mensen die anders denken dan wij. Die discussies zijn niet onbelangrijk. We moeten keuzes maken over migratie, huisvesting, publieke dienstverlening, veiligheid en de verdeling van middelen. Daarover mogen we stevig van mening verschillen.
Maar onder die discussies ligt een fundamentelere vraag:
“hoe organiseren we een samenleving waarin mensen niet alleen naast elkaar leven, maar ook het gevoel en de mogelijkheid hebben om samen iets op te bouwen?”
Dat vraagt een overheid die haar verantwoordelijkheid neemt en grondrechten beschermt. Het vraagt publieke voorzieningen die toegankelijk zijn en een economie die mensen niet reduceert tot hun koopkracht of productiviteit. Het vraagt ook burgers die bereid zijn verantwoordelijkheid te dragen en rekening te houden met anderen. Maar het vraagt bovenal dat we de samenleving niet uitsluitend beschouwen als iets wat door anderen wordt bestuurd.
We moeten opnieuw ruimte maken voor gemeenschappelijkheid: voor de mogelijkheid om gedeelde hulpbronnen samen te ontwikkelen, te beheren en te beschermen. Voor gemeenschappen waarin mensen niet alleen rechten hebben, maar ook verantwoordelijkheid kunnen opnemen. Voor democratische structuren waarin zeggenschap niet automatisch samenvalt met eigendom, geld of formele positie.
Dat is geen pleidooi om alles aan lokale gemeenschappen over te laten. Sommige problemen kunnen alleen op grotere schaal worden aangepakt. En niet elke gemeenschap is vanzelf inclusief of democratisch. Het is wel een pleidooi om op elk niveau opnieuw de vraag te stellen wie mee kan beslissen, wie verantwoordelijkheid draagt en hoe we kunnen voorkomen dat macht zich te sterk concentreert.
De toekomst ligt niet vast
De rellen in Europa herinneren ons eraan dat sociale samenhang niet vanzelfsprekend is. Ze ontstaat niet uitsluitend door mensen te vertellen welke waarden ze moeten delen. Ze vraagt ook om vertrouwen, perspectief en het gevoel dat je ertoe doet.
We mogen geweld niet aanvaarden als antwoord op maatschappelijke frustratie. Maar we mogen evenmin berusten in een samenleving waarin steeds meer mensen het gevoel krijgen dat er over hen wordt beslist, terwijl ze zelf nauwelijks invloed hebben op hun toekomst. Misschien moeten we daarom minder energie steken in de vraag hoe we iedereen opnieuw in het bestaande verhaal laten passen, en meer in de vraag hoe we samen een verhaal kunnen schrijven waarin meer mensen daadwerkelijk een rol spelen.
Een verhaal waarin vrijheid niet alleen betekent dat je met rust wordt gelaten, maar ook dat je de mogelijkheden hebt om je leven mee vorm te geven. Waarin gelijkwaardigheid niet alleen een formeel recht is, maar ook betekent dat mensen daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen.
Waarin solidariteit niet stopt bij de grenzen van de eigen groep, maar groeit doordat mensen samen verantwoordelijkheid opnemen. En waarin democratie niet alleen gaat over wie ons vertegenwoordigt, maar ook over de manier waarop we onze gedeelde wereld organiseren. Dat vraagt geen eensgezindheid over alles. Het vraagt wel dat we elkaar erkennen als mensen die mee mogen bepalen hoe we samenleven.
“De vraag is niet alleen welke samenleving we willen. De vraag is ook wie de macht krijgt om haar vorm te geven.”
Misschien begint daar een nieuw maatschappelijk verhaal: niet bij de belofte dat anderen onze problemen zullen oplossen, maar bij het besef dat we samen meer kunnen veranderen dan we denken. Niet door de verschillen tussen mensen te ontkennen. Niet door de verantwoordelijkheid voor geweld te ontwijken. En niet door te geloven dat één politiek kamp alle antwoorden heeft. Wel door opnieuw ruimte te maken voor iets wat we dreigen te verliezen: het vermogen om samen afspraken te maken, verantwoordelijkheid te dragen en onze gedeelde wereld vorm te geven.
Niet alleen meedoen met de samenleving. Niet alleen de samenleving verbeteren. Maar samen bepalen hoe we haar organiseren.
Commons Lab verbindt en activeert mensen om samen te experimenteren met andere, meer rechtvaardige en duurzame manieren om onze samenleving te organiseren.