We hoeven het niet eens te zijn om samen te leven. Maar we moeten elkaar wel blijven zien als mensen met wie we samen deze wereld maken.
Bron: https://www.reuskens.be/vriendenboek/fatima-chams-en-fmv
Het debat over de hoofddoek lijkt opnieuw helemaal vast te zitten. Voor de één gaat het over neutraliteit. Voor de ander over vrijheid. Voor de één over aanpassen. Voor de ander over uitsluiting. En ondertussen wordt het steeds moeilijker om elkaar nog werkelijk te horen. Misschien is dat wel de vraag die onder dit debat ligt: hoe kunnen we samenleven wanneer we het fundamenteel oneens zijn?
Want verschillen verdwijnen niet. Onze samenleving wordt niet minder divers door er harder tegenin te gaan. En ook wie verlangt naar meer samenhang, zal moeten erkennen dat we vandaag met elkaar samenleven vanuit verschillende overtuigingen, achtergronden en ervaringen.Dat is geen probleem dat we ooit helemaal zullen oplossen. Het is iets waarmee we moeten leren leven.
Aanpassen aan wat?
“Wie hier woont, moet zich aanpassen.”
Er zit iets begrijpelijks in die gedachte. Een samenleving heeft gedeelde regels nodig. We kunnen niet samenleven zonder afspraken over wat wel en niet kan. Gelijkheid, vrijheid, democratie en respect voor anderen zijn geen vrijblijvende waarden. Maar de vraag is ook: wat bedoelen we precies met aanpassen?Aanpassen aan onze wetten en democratische spelregels? Uiteraard. Of betekent het soms ook dat iemand een zichtbaar deel van zijn of haar identiteit moet verbergen om er helemaal bij te horen? Daar begint het gesprek interessant te worden. Want wie bepaalt eigenlijk wat normaal is? Wat neutraal is? Wat bij “ons” hoort? Wat voor de één vanzelfsprekend is, is dat voor de ander misschien helemaal niet. Dat betekent niet dat elke regel daarom verkeerd is. Het betekent wel dat we soms bereid moeten zijn om onze eigen vanzelfsprekendheden opnieuw te bekijken.
Gelijkwaardig, zonder gelijk te hoeven zijn
We zeggen graag: iedereen is gelijk. Dat is een belangrijk uitgangspunt. Maar gelijkwaardig zijn betekent niet dat we allemaal hetzelfde moeten worden. Een samenleving waarin iedereen dezelfde overtuigingen, dezelfde kleding en dezelfde manier van leven heeft, zou misschien overzichtelijker zijn. Maar ze zou ook weinig oefening vragen in het samenleven met verschil.
Het moeilijke werk begint wanneer we elkaar ontmoeten terwijl we het niet eens zijn. Dan hebben we niet alleen regels nodig. We hebben respect nodig. Respect betekent niet dat we elkaars overtuigingen moeten delen. Je kunt kritisch zijn op religie. Je kunt vragen hebben bij de hoofddoek. Je kunt vinden dat publieke instellingen een bepaalde neutraliteit moeten bewaken. Maar je kunt dat allemaal vinden en tegelijk zeggen: jij bent mijn medeburger en ik erken jouw plaats in deze samenleving. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend. Toch is het dat vandaag niet altijd meer.
En dan is er vertrouwen
Misschien hebben we naast respect nog iets anders nodig: vertrouwen. Vertrouwen dat de ander, ondanks zijn andere overtuigingen, ook wil bijdragen aan de samenleving. Vertrouwen dat regels eerlijk worden toegepast. Vertrouwen dat je je zorgen kunt uitspreken zonder onmiddellijk als racist, extremist of “woke” te worden weggezet. Vertrouwen dat je kunt vertellen dat je je uitgesloten voelt zonder dat anderen je meteen als slachtoffer of tegenstander beschouwen. Maar vertrouwen is kwetsbaar.
Als we elkaar voortdurend vertellen dat de ander een bedreiging is, groeit er geen vertrouwen. Als mensen het gevoel krijgen dat ze eerst een deel van zichzelf moeten verbergen om erbij te horen, groeit er geen vertrouwen. En als elke kritiek onmiddellijk wordt gezien als vijandigheid, groeit het evenmin. Vertrouwen ontstaat niet door elkaar te overtuigen. Het ontstaat door ervaringen. Door afspraken te maken en ze na te komen. Door naar elkaar te luisteren en te merken dat er ook werkelijk geluisterd wordt. Door ruimte te maken voor verschil en tegelijk duidelijk te zijn over grenzen. Door samen dingen te doen. Door een conflict niet te laten eindigen in een breuk, maar opnieuw het gesprek te zoeken.
We moeten het ongemak leren verdragen
Misschien verwachten we vandaag ook te veel van gesprekken. We gaan een gesprek aan met de hoop dat de ander ons begrijpt, liefst onze argumenten overneemt en uiteindelijk tot dezelfde conclusie komt. Maar misschien is dat niet wat een goed gesprek hoeft op te leveren. Soms is het al veel wanneer we na afloop iets beter begrijpen waarom de ander anders kijkt dan wij. We hoeven het ongemak van verschil niet onmiddellijk weg te nemen. We kunnen het ook even uithouden. Luisteren naar iemand met wie we het moeilijk hebben. Een stilte laten vallen. Niet onmiddellijk reageren. Nieuwsgierig blijven naar wat we nog niet begrijpen. Daar zit geen zwakte in. Het is een vorm van maatschappelijke zorg. En misschien is dat ook wat ons vandaag ontbreekt: niet nog meer meningen, maar opnieuw de ruimte om de ander werkelijk te ontmoeten.
Dat is misschien wat we van de commons kunnen leren
Bij Commons Lab kijken we naar een common niet als een plek zonder conflict. Integendeel.Waar mensen samen iets beheren, ontstaan bijna onvermijdelijk verschillen van mening, belangenconflicten en spanningen. Het verschil zit niet in het ontbreken van conflict. Het verschil zit in wat je ermee doet. Een common ontstaat wanneer verschillende mensen erin slagen hun verschillen te organiseren rond iets wat ze delen. Dat vraagt geen blind vertrouwen vooraf. Vertrouwen kan juist groeien door samen verantwoordelijkheid te nemen. Een afspraak maken. Ze uitproberen. Ervaren wat werkt en wat niet. Erover praten wanneer het misloopt. Bijsturen. Opnieuw proberen.
Zo groeit langzaam het gevoel: we kunnen van mening verschillen en toch samen verder. Misschien werkt dat ook op het niveau van de samenleving.
Niet winnen, maar opnieuw beginnen
We zijn de voorbije jaren steeds beter geworden in het vinden van onze tegenstanders. We weten wie “de ander” is.
De migrant.
De woke activist.
De conservatief.
De moslim.
De nationalist.
De elite.
De boze burger.
Maar zodra mensen vooral nog elkaars vertegenwoordiger van een kamp zien, wordt samenleven bijzonder moeilijk. Misschien moeten we daarom opnieuw beginnen met iets eenvoudigs.
Niet met de vraag: Wie heeft gelijk? Maar: Wat delen we nog? De behoefte aan veiligheid. Aan vrijheid. Aan waardigheid. Aan een toekomst voor onze kinderen. Aan een overheid die eerlijk handelt. Aan een buurt waarin mensen elkaar kunnen vertrouwen. Daar ligt misschien meer gemeenschappelijke grond dan we denken. Van daaruit kunnen we opnieuw afspraken maken. Niet noodzakelijk perfecte afspraken. Wel afspraken die eerlijk genoeg zijn om te proberen, en open genoeg om opnieuw te bekijken.
Samen eigenaar
Een samenleving is uiteindelijk geen hotel waar sommige mensen de regels bepalen en anderen zich moeten aanpassen. Maar het is ook geen plek waar iedereen alleen zijn eigen waarheid kan volgen. We zijn samen eigenaar. Dat betekent dat ook de meerderheid verantwoordelijkheid draagt voor de samenleving die ze maakt. En dat ook minderheden verantwoordelijkheid dragen voor het geheel. Dat gedeeld burgerschap vraagt meer dan het respecteren van elkaars rechten. Het vraagt ook dat we elkaar blijven uitnodigen om verantwoordelijkheid op te nemen voor het geheel. Niet alleen vragen: wat krijg ik van deze samenleving? Maar ook: wat draag ik eraan bij? Dat is misschien een belangrijk gesprek dat we opnieuw moeten voeren. Niet vanuit wantrouwen, maar vanuit de verwachting dat iedereen iets kan bijdragen. Het betekent dat we elkaar mogen aanspreken. Dat we grenzen mogen stellen. Dat we van mening mogen verschillen. Maar ook dat we elkaar niet voortdurend hoeven te behandelen als een bedreiging.
Opnieuw vertrouwen opbouwen
Misschien is dat vandaag onze grootste uitdaging. Niet leren hoe we iedereen hetzelfde kunnen maken. Niet leren hoe we het conflict kunnen winnen. Maar opnieuw leren hoe we respect en vertrouwen kunnen opbouwen tussen mensen die verschillend zijn. Dat zal niet gebeuren door één debat, één wet of één opiniestuk. Vertrouwen groeit langzaam. In scholen waar kinderen elkaar leren kennen. In buurten waar mensen samen dingen doen. In organisaties waar conflicten bespreekbaar zijn. In publieke ruimtes waar verschil zichtbaar mag zijn én waar duidelijke grenzen gelden. Daar begint gemeenschappelijkheid. Niet wanneer we het eindelijk allemaal eens zijn. Maar wanneer we opnieuw ervaren: we verschillen van elkaar, en toch kunnen we samen iets maken. Dat vraagt misschien dat we opnieuw wat meer verwondering toelaten voor de ander. Niet meteen invullen wie iemand is, maar nieuwsgierig blijven naar het verhaal dat achter een overtuiging zit. Daar begint luisteren. En soms begint daar ook iets wat we bijna kwijt lijken te zijn: het vermogen om elkaar opnieuw als mens te zien. Dat is misschien wel de meest wezenlijke les van de commons.
We hoeven het niet eens te zijn om samen te leven. Maar we moeten elkaar wel blijven zien als mensen met wie we samen deze wereld maken.