Commons Lab

View Original

NAAR EEN TOEKOMST WAARIN SAMENWERKING TUSSEN STAD EN INITIATIEF GEEN RECHT MAAR VANZELFSPREKEND IS

In Rotterdam leveren maatschappelijke initiatieven een belangrijke bijdrage op het gebied van zorg en welzijn, maar toch verloopt de samenwerking met de gemeente Rotterdam lang niet altijd soepel. Met de invoering van het ‘Right to Cooperate’, hoopt de gemeente de samenwerking te verbeteren. Bestuurskundigen van de Erasmus Universiteit Rotterdam dachten na over hoe dit Right to Cooperate vorm kan krijgen, en ontdekten dat het niet zozeer nodig is om de gemeente te verplichten om samen te werken met initiatiefnemers en hen te faciliteren, maar dat het nodig is om te bouwen aan een context waarin samenwerken vanzelfsprekend wordt.

Download rapport 

In een diepgaand ontwerptraject is nagegaan wat eigenlijk het probleem is dat met het ‘Right to Cooperate’ moet worden opgelost en wat dat betekent voor de vormgeving ervan. De onderzoekers hebben samen met een kerngroep van vijftien ambtenaren en initiatiefnemers, zoals MooiMooierMiddelland en ZorgVrijstaat West gedurende een periode van zeven maanden een intensief onderzoeks- en ontwerpproces doorlopen. Daarbij rees de vraag waarom, ondanks gedeelde ambities en enthousiasme, de samenwerking vaak als moeizaam wordt ervaren.

De kernparadox

Uit het onderzoek kwam een duidelijke paradox naar voren: de onderlinge verschillen die samenwerking interessant en nodig maken, vormen in de praktijk ook de grootste obstakels om samen te werken. Zo ziet de gemeente in een initiatief een partij die goed weet wat er in de wijk speelt en daar flexibel op in kan spelen. Maar die kleine schaal maakt dat een groot deel van de gemeentelijke zorg- en welzijnsgelden niet geschikt zijn voor initiatiefnemers: zij kunnen niet meedoen in de aanbestedingstrajecten waarin dat geld verdeeld wordt. Andersom zien initiatiefnemers de gemeente als grote, stabiele partij die voor een basisinfrastructuur zorgt en die structurele financiering kan bieden aan initiatieven. Maar de verantwoordingscriteria en vaak lange procedures die bij de besteding van publiek geld komen kijken, passen vaak slecht bij het karakter en de werkwijze van de initiatieven in kwestie.

Samenwerking als vanzelfsprekendheid

De belangrijkste conclusie van de verkenningsfase was dat de opgave niet is om initiatiefnemers meer instrumenten in handen te geven om samenwerking af te dwingen (een ‘recht’ op samenwerken te geven). De betrokken organisaties hebben baat bij een context waarin samenwerken vanzelfsprekend is en vanzelf gaat. Op basis van die bevinding, zijn de onderzoekers op zoek gegaan naar een set interventies dat zowel initiatiefnemers als de gemeente moet helpen de onderlinge verschillen te overbruggen en op basis van wederkerigheid en gezamenlijkheid samen te werken.

Bouwen aan een context voor het Right to Cooperate

Dit ontwerptraject resulteerde in een procesmodel (zie figuur) rond de samenwerking tussen gemeente en initiatiefnemers. Dit procesmodel bestaat uit een cyclus van vier stappen waarmee spiraalsgewijs gebouwd wordt aan een context voor vruchtbare samenwerking. Per stap is een concrete interventie uitgewerkt die hieronder kort wordt toegelicht.

Zorg- en welzijnsdeals

De eerste stap van dit model krijgt gestalte door middel van de “zorg- en welzijnsdeals”. Het afsluiten van zo’n deal zorgt ervoor dat alle betrokken partijen duidelijk afspreken wat ze inbrengen en wat ze van elkaar (mogen) verwachten. Dat is de basis voor een gelijkwaardige samenwerking, iets wat in een subsidierelatie veel minder tot uiting komt.

Partner in residence

Omdat de wereld van de gemeente en van de initiatieven zo sterk verschillen is het creëren van meer wederzijds begrip noodzakelijk voor een vruchtbare samenwerking. Daarom is de tweede stap vormgegeven als een “partner in residence-programma” waarbij samenwerkingspartners structureel bij elkaar in de keuken kijken, elkaar adviseren en helpen en de verschillen in elkaars werkwijze en capaciteiten leren kennen én waarderen.

Schouw

De onderzoekers constateerden dat de huidige vormen van verantwoording geen recht doen aan de aard van initiatieven en niet passen bij een gelijkwaardige samenwerking. Een gezamenlijke, lerende “schouw” van het resultaat van de samenwerking (en dus niet van het initiatief alleen), waarbij niet alleen oog is voor inhoudelijke criteria, maar ook voor het proces, past dan veel beter.

Reisgids zorg- en welzijn

Tot slot is het nodig om middels de “reisgids zorg- en welzijn” deze lessen en successen te delen en te borgen, zodat samenwerking in de toekomst makkelijker wordt. Deze lessen en successen kunnen een opmaat zijn voor nieuwe deals en biedt handvaten voor bestuurders, managers en beleidsmakers om verder te werken aan een organisatie waarbinnen samenwerken vanzelf gaat.

Impact van het onderzoek

In samenspraak met de onderzoekers wordt op dit moment gekeken hoe de uitkomsten van dit ontwerpproces kunnen worden uitgewerkt. De gemeente wil in het kader van de inkoop Welzijn vanaf 2022 het Right to Cooperate een plek geven binnen het welzijnswerk in de gebieden van Rotterdam. Daarbij onderzoekt de gemeente of het mogelijk is te werken volgens het concept van welzijnsdeals om gezamenlijke doelen helder en concreet te maken. Daarnaast wordt verkend of de stadsbrede aanpak van Right to Cooperate kan worden verrijkt met de resultaten van dit ontwerpproces.

Over het onderzoek | downloaden rapport

Het ontwerptraject is georganiseerd door Margot Hermus MScir. Geert BrinkmanOpent extern en prof.dr. Arwin van Buuren, allen verbonden aan het onderzoeksprogramma RePolisOpent extern en de Erasmus Governance Design StudioOpent extern van het Departement Bestuurskunde en Sociologie, Erasmus School of Social and Behavioural Sciences, Erasmus Universiteit Rotterdam.

Meer informatie over het ontwerpproces en het uiteindelijke ontwerp staat in het eindrapport ‘Van Recht naar Rede: naar een toekomst waarin samenwerking tussen stad en initiatief geen recht maar vanzelfsprekendheid is’